Netsensei

Much Ado About Nothing

Gezondheid en Welzijn

Blub

Ziek zijn is niet zo fijn. Zelfs niet als je daardoor thuis mag blijven. Ik heb de voorbije 48 uur zo’n beetje gekampeerd in mijn zetel. Nja, vooral de zeurende hoofdpijn speelde mij parten. Alsof mijn hoofd tussen een bankschroef zat. Ik heb de indruk dat het nu in stijgende lijn begint te gaan. Mag ook wel aangezien morgen de job wenkt.

Niet dat ik mij ab-so-luut verveeld heb in de voorbije twee dagen.

Door mijn Groot Raam heb ik zo’n beetje de vier seizoenen zien passeren in de voorbije twee dagen. Lousy smarch weather! Verder mocht ik vooral dat de duiven en de konijnen reeds volledig in lentemodus zijn en de eersten niet moeten onderdoen voor de laatsten.

De wijkagente is gepasseerd. Typisch dat zoiets overdag gebeurt. Eerste keer dat ik ook effectief thuis was.

Aangezien ik een nieuwe Belgacom TV klant ben profiteer ik mee van al die geweldige pay-per-view kanalen die na de eerste maand afgesloten worden. Discovery Channel en NatGeo for the win! Ik heb gelijk ook 50/50 digitaal gehuurd. (Bekentenis: De eerste keer dat ik een film digitaal huur. Wat een gemak!)

Dutjes doen. ’t Is lang geleden dat ik nog eens overdag gewoon mijn ogen dicht deed om een uurtje of zo te rusten.

In ieder geval: vanavond andermaal vroeg in bed. En een aantal dingen die ik in de komende dagen had willen/moeten doen uitstellen tot na het weekend. Kwestie van lichaam en geest maximaal rust te gunnen.

Blergh

Sinusitis, dus. Na de vierde ochtend opstaan met een draaierig, pijnlijk hoofd en nauwelijks slaap, kon ik een bezoek aan de dokter niet langer uit te stellen. Ik hoor twee dagen rust in acht te nemen. Dat betekent dus: geen voet buiten de deur steken, ’s avonds vroeg in bed, gezonde stevige hap en wat medicatie.

Hopelijk heb ik het ergste leed tegen donderdag geleden.

#wijvenweek 5: zelfcensuur

Zelfcensuur. Doe ik dat hier eigenlijk wel? Ja. En nog geen klein beetje. Geloof me vrij dat ik dit blogpostje een paar keer heb herschreven en er duchtig in geschrapt. Er is veel waar ik over zou kunnen bloggen, maar waar ik mij voor hoed. Tjah, da’s ook een beetje de tol van onder eigen naam te schrijven. Je gedachten te grabbel leggen, dat doe je niet zomaar.

Het is ook bij mij niet altijd rozegeur en maneschijn. Wie mij kent weet dat de laatste 356 dagen bijzonder hard waren voor mij. Er was heel wat verdriet, twijfel en onzekerheid. Met daarna langzaam terug recht krabbelen, doorbijten, leren genieten van het leven om vandaag weer mijn oude gelukkige zelve, weliswaar met een paar rimpels extra en een stuk wijzer, te kunnen zijn.

De details houd ik voor mij. Hoe hard dit ook mijn plaatsje is, en ik heel graag met jullie stukken uit mijn leven deel, van een aantal dingen, hoe interessant of vertellenswaardig ook, kan ik me geen enkele goede reden bedenken waarom ik ze hier zou publiceren. En ergens vind ik dat ook wel net goed, het plaatje hoeft immers niet compleet te zijn.

Orgaandonatie

Mm. Een mening. Doorgaans zit ik vol meningen. Maar vandaag even niet. Niet echt. Gisterenavond lag ik, nog niet op de hoogte van de gebeurtenissen in Zwitersland, in bed te peinzen over het onderwerp van vandaag. Om de één of andere reden was ik aan het nadenken over orgaandonatie.

Orgaandonatie, daar valt heel wat voor te vertellen, maar het is ook interessant om even anders over na te denken.

Zie je, er zijn heel wat culturen en wereldbeschouwingen die er van uitgaan dat je lichaam zo intact mogelijk ten grave hoort te worden gedragen. Al was het maar dat je in het hiernamaals met lijf en leden onder de ogen van je Schepper komt.

Dode lichamen zijn taboe. In veel culturen wordt er zo ver mogelijk vandaan gebleven en zijn het slechts een aparte groep in de maatschappij die de doden begraven of terwijl het aan de naasten is om ze – spiritueel – te begeleiden naar de Overkant. In onze westerse wereld gaan onze nekhaartjes vandaag nog recht staan als iemand vertelt dat hij of zij autopsiedokter of doodgraver is.

Kortom, het idee dat je een stuk van iemand anders in je lijf krijgt, roept bij veel mensen een afwijzende reactie op. Het omgekeerde geldt ook, zou jij zomaar je hart voor donatie opgeven na je dood? Je bent er natuurlijk zelf niet meer, maar het idee dat je lichaam incompleet is, daar hebben velen het moeilijk mee.

En toch.

Als je dan vandaag leest dat er in één klap zoveel jonge mensen het leven laten of er voor moeten vechten, dan is het niet slecht om even bij orgaandonatie stil te staan. In België is iedereen een stilzwijgende donorkandidaat. Dat betekent dat, tenzij je verwanten in de eerste graad verzet aan tekenen, je na je dood sowieso in aanmerking komt als donor. Een goeie zaak? Wel, het probleem is dat er nog altijd te weinig orgaandonors zijn ondanks die regeling en op het moment suprême staat het je nabestaanden vrij om een keuze te maken waar je wel eens een andere mening over zou hebben.

Het mooie is dat je je als orgaandonor kan laten erkennen bij je gemeente. Of juist niet. Bij de burgerlijke stand laat je expliciet noteren of je al dan niet orgaandonor bent. Ongeacht wat je naasten na je dood mogen wensen of willen. Het staat je bovendien volledig vrij om je besluit te herroepen.

Zelf heb ik me niet expliciet opgegeven als orgaandonor. En eigenlijk vind ik dat ik dat wel hoor te doen. Ik heb tot nu toe gepoogd mijn lichaam in ere te houden. Enfin, het ene stuk al wat meer dan het andere. Maar door de band genomen zou het zonde zijn moest er mij morgen iets overkomen waarna mijn, nog relatief nieuwe, onderdelen niet meer worden gerecycleerd.

Dus, ik overweeg vandaag sterk om, eenmaal verhuisd, een extra papier te laten invullen bij mijn domiciliëring.

Met Wijvenweek in het achterhoofd lijkt me, in het licht van de gebeurtenissen, misschien wel een uitgelezen moment om hierover even na te denken. Wat denken jullie?

Vertier en venijn

Moi? Veel goesting hebben in sjokolade en schaamteloos een stevig stuk Toblerone verorberen of  ’s morgens vettige panoskoeken als ontbijt nemen op kantoor in de wetenschap dat er niks aan mijn lijf blijft kleven? Hello?!

Moi? Van dramaqueen doen op het werk wanneer er eens iets niet werkt? Never!

Moi? Stilletjes fan zijn van Lexie Grey in Greys’ Anatomy? Of mee gniffelen met Friends? Are you mental?

Moi? Geen fan zijn en dus niks kennen van voetbal of wielrennen maar wel tactisch meeknikken wanneer het onderwerp onder de mannelijke disgenoten wordt gebezigd? Lies, lies, lies!

Moi? Een beetje gemakzuchtig? Zo na een avond klimmen met kromme vingers toch iets willen schrijven en zeggen: foert, een joetjoeb filmpje dan maar? Phah!

Beautyqueen in het diepst mijner zieleroerselen

Bon. Daarnet, terwijl ik mijn lakens stond te plooien, in extremis en in pure impulsiviteit dan toch maar beslissen dat ik ga proberen mee van Wijvenweek te doen. Niet dat ik mij ingeschreven heb of, godbetert, voorbereid heb of zo. Just for fun en al.

Let the inner wijf loose!

Ben ik een bjoetiekwien? Boh beh neen tgij! Ik ben zelfs geen bjoetieking. Af en toe durf ik al eens een foto van mijn jongere zelve tegen te komen. Da’s altijd even schrikken. Niet omdat ik zo fel ben veranderd, wel omdat ik nog altijd dezelfde ben als toen. Ik denk niet dat velen van vroeger mij helemaal niet meer zouden herkennen. Wel zie ik er een stuk anders uit. En ook wel ten goede moet ik zeggen.

Vroeger was ik namelijk nul-comma-nul met mijn uiterlijk bezig. Tjah, tiener, computers, spelletjes,… Als rechtgeaarde geek heeft uiterlijke schijn op een bepaald moment in uw leven een lagere prioriteit dan andere dingen. Da’s pas ergens halfweg mijn twintiger jaren veranderd. Gelukkig maar.

’t Begint bij mijn haar. Mijn coupe is nog altijd dezelfde als vroeger: vrij kort. Regelmatig wassen spreekt voor zich maar ik doe geen speciale producten of gels in mijn haar. Nu, tot voor een paar jaar ging ik altijd naar dezelfde kapper op de hoek. Denk: kleine zelfstandige die per klant weet wat hij moet knippen en u uit blinde gewoonte steeds dezelfde haarlijn schenkt. Ik heb een paar kappers in het Brugse afgelopen. Ik ben er nog niet helemaal uit maar tegenwoordig passeer ik bij Y&D.  Mijn haar ligt er niet zo gek veel anders bij dan vroeger, maar ’t is wel een pak verzorgder geknipt. Hoe dan ook, op mijn dertigste heb ik een reeële angst voor de wijkende haarlijn. Heel wat generatiegenoten moeten het met een pak minder doen dan ik, maar elke haar die ik in de badkuip terug vind is er één te veel. Geloof me vrij: bij de eerste serieuze kaalslag mogen de overlevenden  gemillimetreerd worden wat mij betreft.

Als rechtgeaarde vent beschik ik over redelijk wat gezichtsbeharing. Er is een tijd geweest dat ik als flukse achtienjarige met een sprieterige sik en knevel door het leven ging. Vandaag denk ik soms wel eens: what was I snorting back then? Er zijn daarna jaren geweest dat ik mij elke dag placht te scheren. Dat doe ik met een Braun scheermasjien. Alleen, het babyfacegehalte bleef bijzonder hoog. Sinds een jaar of twee laat ik stevig wat stoppels toe rond mijn kin en mond. Een stoppelbaard scheelt wel een stuk. En ik vind het gewoon aangenaam om eens een dag of drie niet aan mijn scheermasjien te moeten denken. De laatst maanden heb ik wat geëxperimenteerd met eens in de week scheren, maar dan begin ik serieuze woudlopertrekken te vertonen. Terug dus naar twee keer in de week. O ja, ik heb ook even overgeschakeld op mesjes en zeep. Heel aangenaam. Maar met stoppels is dat: de wangen met zeep en de kin en de lip met het masjien. Wat nogal tijdrovend is.

Ah, de bril! Now there’s an accessory. Ik loop al vanaf mijn peuterjaren rond met een bril. Waarom ik geen lenzen wil? Omdat ik dat gepieter in mijn ogen redelijk onpraktisch vind en een bril gewoon bij mij hoort. Ik zet hem wel al eens een halve dag af, maar dan ook alleen maar wanneer ik weet dat lezen op een scherm of papier er niet meteen in zit. In de zomer bijvoorbeeld. Vroeger liep ik rond met, wel, een nogal seuterig rond model, maar tegenwoordig heb ik een bijzonder elegant montuur op mijn neus, uiterst zorgvuldig geselecteerd door vriendin J. Een bril is nogal duur, dus ’t is ook niet dat ik een hele batterij monturen heb, maar mijn huidig exemplaar heb ik gekozen omdat het een sierlijke lijn is en omdat ik hem gewoon heel mooi vind.

Tjah, de kleren. Mja. Grm. Krg. Zoals de meeste mannen is shoppen een kelk die ik graag aan mij laat passeren. Maar ik moet zeggen dat als ik ga shoppen, ik dat wel met het nodige geduld en plezier ga doen omdat ik ondertussen wel weet: de kleren maken de man. Je kan dat ontkennen, maar hoe je je kleedt, vertelt wie je bent. Niet dat ik nu de meest dure merken aan doe of zo. Ik draag veelal een propere jeansbroek, een hemd en een pull uit de H&M, Celio, Zara, of Inno. Ik heb wel zo’n proper vestje, maar dat draag ik quasi nooit. Ik zou mij wat kunnen opkleden, maar dat is niet echt wie ik ben. Anderzijds, ik wil wel graag wat kleur in mijn kleren. Het overgrote deel van de ventenhemden zijn wit met een blauwe, roze of gele streep- of ruitjespatroon. Gruwelijk lelijk vind ik dat. Hawaïhemden draag ik nu ook weer niet, maar iets met elegante kleurschakeringen: any day! Ook al zijn die niet altijd zo eenvoudig te vinden.

Hm. I could go on and on. Maar de vraag is natuurlijk: Ben ik een bjoetieking? Bwoh, ik ga niet pretenderen dat ik er zeer zwaar achter kijk, maar ’t is ook niet dat ik mij ga laten gaan. Al zijn er wel eens gelegenheden zoals feestjes of zo, waar ik mezelf dan wel eens vervloek niet properder voor de dag te zijn gekomen.

Bandbreedte

Zal ik eens wat vertellen? Ik geloof dat het menselijke brein nog het best te vergelijken is met een computer. En een computer kan maar zoveel bewerkingen binnen een gegeven tijd uitvoeren. Dat noemen ze bandbreedte. Wel, bij een mens is het ongeveer hetzelfde.

Op elk gegeven moment zijn er een aantal dingen die om je aandacht vragen. En wat is aandacht? Niets meer dan een beetje tijd die je brein schenkt om met een probleem om te gaan. Denk maar aan een todo of een taakje of zo. De was en de plas. Brood halen. Dat soort dingen. Maar het gaat natuurlijk verder: het gaat ook over dingen die je op je werk moet doen. Een bug die je moet fixen, een demo voor een lezing die je nog moet voorbereiden, je timesheets die je hoort in te vullen,… Elke taak vraagt aandacht. Of beter: een stukje bandbreedte.

Net als een machine kan een mens niet alles tegelijk. Je bandbreedte is eindig. Het komt er op aan om zo efficient mogelijk met bandbreedte om te gaan. Het grootste deel heb je nodig om het probleem dat je op dit moment behandelt, op te kunnen lossen. Dat noemt men focus. Maar je moet ook wat bandbreedte toewijzen aan het onthouden van dingen die je nog moet doen. Elke taak die je extra moet onthouden, vraagt wat bandbreedte die je had kunnen inzetten voor iets anders.

Dat is wat Getting Things Done betekent: je bandbreedte optimaal benutten door enerzijds je geheugen te ontlasten door alles op te schrijven in lijstjes, en anderzijds al je taken zoveel mogelijk in te plannen in tijdsblokken zodat je de focus kan leggen op één taak zonder dat de rest er tussen door komt.

https://www.slideshare.net/notasausage/getting-shit-done

Nu, alle truukjes en tips ten spijt, soms wordt het heel moeilijk om jezelf georganiseerd te krijgen. Gewoon omdat je zoveel focus moet leggen op zoveel verschillende taken die allemaal prioriteit eisen. Hoe hard je ook probeert, die taken vragen te veel bandbreedte. En met taken bedoel ik ook wel: mensen die iets van je bandbreedte willen inpikken. Dat is het verraderlijke. Op zich klinkt elke extra vraag heel erg redelijk. Maar zodra je ze probeert in te passen blijkt het een veborgen taak te zijn die je schaarse bandbreedte opeist.

Waarom is dat zo verraderlijk? Wel, stress is volgens mij een duidelijk teken dat je op de limiet van je bandbreedte zit. Het systeem geraakt in overdrive en in het allerslechtste geval weerspiegelt zich dat op je gezondheid. Stress betekent immers letterlijk uit het Engels “Druk”.  Je zet je eigen systeem immers onder druk om meer te doen dan dat er eigenlijk middelen, aandacht, voor beschikbaar is.

Waarom hebben zoveel mensen last van stress? Twee oorzaken. We zijn ons vaak niet bewust hoeveel bandbreedte we zelf tot onze beschikking hebben. Tot we een paar keer onder druk hebben gestaan. Dat is een leerproces dat redelijk wat tijd inneemt. Ten tweede zijn we slechte inschatters van workload. Een onschuldige taakje kan in werkelijkheid gigantisch veel bandbreedte opslurpen. Hoeveel tijd kost het mij om x of y wekelijks of dagelijks uit te voeren? Heb ik genoeg informatie om te weten wat die nieuwe taak precies inhoudt? Hoeveel aandacht ga ik er aan moeten toekennen om dit tot een goed einde te brengen?

Los van de werklast laten we ons beoordelingsvermogen ook makkelijk leiden door andere factoren. Denk maar aan de persoon die de vraag stelt. “Wil je mij helpen met mijn huiswerk vanavond?” het wordt een andere kwestie als het mooiste meisje van de klas het vraagt bij wanneer die onuitstaanbare kerel het vraagt. Je mag dan wel ja zeggen tegen haar, misschien gaat het om zoveel werk dat je je eigen huiswerk laat liggen. Waarom? Omdat je bandbreedte hebt toegekend in functie van een factor die niet relevant is voor het bepalen van de werklast die de taak met zich meebrengt.

In die zin komt het er op neer om het gebruik van je bandbreedte te optimaliseren in samenspraak met diegenen die je nieuwe vragen stellen: in de eerste plaats door een duidelijk “Nee” te laten horen wanneer je echt op je tandvlees zit. Hoe knap, leuk, sympathiek,… of welke andere belangen je bij die persoon kan hebben. In de tweede plaats door een compromis te zoeken zodat je een minimum aan bandbreedte moet toekennen om de voorgelegde taak tot een goed einde te brengen.

Makkelijker gezegd dan gedaan natuurlijk.

11 going on 12

Ah! 2011. Wat een bevreemdend jaar is me dat geworden. Het is het jaar waarin absolute lows met opperste ups werden gecombineerd. Het werd een jaar waarin mijn voornamelijk dingen te beurt vielen die ik helemaal niet verwachtte. Het was op zijn minst een bijzonder confronterend jaar. Maar ook een bijzonder leerrijk jaar waarin ik een paar belangrijke levenslessen heb gekregen.

Nummer één: Vermijd Grootse Verwachtingen. Niks zo erg als beginnen zweven om dan opeens keihard met de voetjes op de grond te worden gezet. Het leven valt nu eenmaal moeilijk te controleren. Je kan wel een eindje vooruit kijken, maar geen vol jaar. Niks staat in steen gebeiteld.

Nummer twee: Ken jezelf. Gnooti Seauton. In mijn hoofd zitten een pak ideeën en dingen die ik zou willen doen of bereiken. Soms lijkt het alsof de pot met goud verdacht dicht bij is. In werkelijkheid ben ik ook maar een mens met beperkingen. Het is niet erg om “neen, dat gaat niet zomaar.” te zeggen tegen anderen en al helemaal niet tegen jezelf.

Nummer drie: Leer geduld te hebben. Ik ben een ongelofelijk ongeduldige mens. Ik zie de dingen graag vooruit gaan. Gedreven zijn, dat heeft zo zijn goeie kanten. Maar snel ongeduldig worden, daarvan word ik dus ongedurig. Ik heb geleerd dat ik de dingen soms moet aanvaarden zoals ze zijn en dat verandering pas op zijn eigen tijd komt. En niet met een druk op de knop.

Nummer vier: Trek het u allemaal niet zo hard aan. Ja, de wereld vandaag is een tranendal. Ja, ik heb geen auto. Ja, ik heb wat tegenslag gehad… Maar ik ben wel gezond. En aan de basisbehoeften is ruimschoots voldaan. Leren relativeren is de boodschap.

Nummer vijf: Savour the moment. Waarmee ik niet wil zeggen: leef van dag tot dag maar wel dat het soms de moeite loont om ook bewust te genieten van de kleine momenten. Leren content zijn met wat je hebt.

2011 is het jaar waarin ik die lessen heb geleerd. The Hard Way. En het mooie is dat ik er vergeleken bij begin dit jaar, me er een stuk bewuster van ben. Het blijft wel een dagelijkse oefening om ze voor mezelf te herhalen, maar ik doe dat graag. Ook in 2012.

In tijden van crisis

De mens is een bizar beestje. We kijken vaak niet verder dan onze neus lang is. En in tijden van crisis lijken onze neuzen bijzonder kort te zijn. Zo kort dat wat we achter de knelpunten die schreeuwen om onze aandacht, vaak het grote plaatje niet zien. Laat staan zelfs maar enigszins begrijpen.

Er wordt vandaag gestaakt. Harde actie tegen de harde plannen van de regering. Er wordt gesnoeid en bezuinigd. En de vakbonden zeggen “Ha, niet met ons!” Wat dan weer een tegenreactie uitlokt bij de jongere generatie. Maar is dat wel de discussie ten gronde? Staan we ons niet te pletter te debatteren over een onderwerp waar we al een eindje voorbij zijn?

Pietel verwoordt het mooi. We moeten realistisch zijn. We zullen moeten inleveren en verworven rechten moeten we durven opgeven. Uit solidariteit over bevolkingsgroepen heen. Wie nog gelooft in een verhaal van vervroegd pensioen en tijdskredieten, hoort dringend wakker te worden: het oude systeem is niet langer betaalbaar. Iemand moet er immers voor opdraaien. Als prille dertiger maak ik mij geen illusies over mijn toekomst. Ik zal het met minder moeten stellen dan mijn ouders. Maar de bijdrage die ik zelf als actieve, jonge werknemer kan leveren, die is ook eindig. Daar zit nu eenmaal maar zoveel rek op.

We horen even stil te staan bij het feit dat Europa reeds 60 jaar rust en vrede kent. De babyboomers zijn de eerste generatie die een leven zonder reeël conflict kende. Het is slechts uit grootvaders’ verhalen over loopgraven, koude, ellende, dood en ontberingen enigszins in ons collectieve geheugen hebben. We beseffen nauwelijks dat die vrede ons unieke kansen heeft gegeven. Ondanks crisismomenten, denk maar aan de jaren ’80, hebben we een ongekende economische groei gekend. Nog nooit konden bevolkingsgroepen zichzelf zo massaal ontplooien en emanciperen. We zijn beter geschoold, monderiger en vrijer dan ooit. We hebben alles in handen wat we nodig hebben.

De rust en welvaart heeft ook een cocon van welbehagen rond ons gesponnen. Onze blik op de wereld is die van een passant. We zien de ellende elders, we zijn ons bewust van de weeskinderen in de straten van Delhi, de oorlogen in verre oorden zoals Ivoorkust of Soedan, de ellende in Noord-Korea,… maar het lijkt een ver van ons bed show. Alle Music For Life circussen ten spijt (Hoezeer ik hun goede bedoelingen ook een warm hart toedraag). Net zoals de bankencrisis met zijn verwoestende gevolgen in Noord Amerika iets was dat ons niet echt leek te raken. We lezen al jaren onheilstijdingen in kranten, maar we lijken dat niet op ons te betrekken. Wie in nooit ellende of welvaart heeft gekend, weet ook niet dat het beter of slechter kan.

De discussie vandaag focust zich dan ook wel heel hard op de herverdeling van de bestaande welvaart. Dat is ook waar men de voorbije 540 dagen over heeft gebakkeleid: wat hebben we en hoe verdelen we het? Dat is wat men met een staatshervorming wil bereiken. Maar de gedachte dat we met het schuiven van politieke bevoegdheden op verschillende niveau’s het verschil zullen maken, is onszelf een rad voor de ogen draaien. We zijn uit het oog verloren dat we ook toekomstgericht moeten durven denken: waar komt welvaart vandaan en hoe scheppen we nieuwe mogelijkheden en kansen?

De crisis en de economie is een verhaal dat gedragen wordt door mensen. Bouwen aan welvaart doen we zelf. Ik sta elke dag op om als werknemer aan die welvaart te bouwen. Om mezelf economisch relevant te maken. Zo wil ik ook ’s avonds in bed kruipen: in het besef dat ik mijn steentje heb bijgedragen. En dat is niet alleen mijn wens, maar die van hele generaties. Willen we onze welvaart behouden, dan moeten we ervoor werken. Meer zelfs, dan moeten we onszelf durven aanpassen en innoveren. Ik geloof niet in ongebreidelde groei. Er zijn nu eenmaal fysieke en ecologische grenzen. Maar vooruitgangsoptimisme is ook durven geloven dat het anders kan met beperkte middelen. Denk maar aan de jongens van Hidden Radio en dat eigenlijk alles kan als je er maar in gelooft, aldus Michel.

Als we al iets aan politici en vakbonden moeten zeggen dan is het dit wel: kijk verder dan de volgende verkiezingen, uw eigen ideologische of partijbelangen en uw communautair gehakketak. Pak samen die begroting vast, wees inventief, creatief, rationeel en realistisch. Kijk elkaar niet wantrouwig aan. Durf water bij de wijn doen. Durf op lange termijn denken en voer een duurzaam beleid dat ruimte biedt om banen te creëren, te innoveren, te investeren en nog zoveel meer. Alleen zo bieden we perspectieven aan onze kinderen en zij die na hen zullen komen.

En ja, deze salonrevolutionair heeft makkelijk praten. Morgen is er een nieuwe dag. Daar gaan we vol goede moed tegen aan. Omdat het kan.

Soep

Ik moest er dringend nog eens iets over schrijven, maar dat dringend is ondertussen zo’n beetje zoals onverwijld geworden: met veel uitstel. Soep dus.

Zoals elke quasi elke week gingen J. en ik ook vorige week dinsdag klimmen. We doen dat ’s avonds. Dus de boodschap is een hap eten, de fiets op – dezer dagen de tram – richting klimzaal. Ik had de fout begaan om niets in huis te hebben en wat langer te plakken op het werk. Dus werd het een vette snee pizza. Boy, was I wrong. Na een uurtje in de klimgordel besloot mijn lichaam het voor bekeken te houden. Ik kon doen wat ik wilde, maar mezelf opduwen en rekken was er niet meer bij.

De wijze les die ik daaruit trok is: zorg dat ge iets lichts eet vooraleer ge gaat sporten. Logisch natuurlijk. Maar als ge zelf geen sportmens bent, dan moet ge dat toch door schade en schande nog eens ondervinden vooraleer de boodschap echt aankomt.

En dus besloot ik soep te maken.  Het werd brocolli-courgette soep. Nu, ik ben niet de eerste die over soep blogt. Al was het maar dat het het meest poepsimpele is wat je kan brouwen. Maar aangezien het zo’n lekker soepeke werd wilde ik jullie dit niet onthouden.

U trekt dus richting lokale superette waar ge uw kabas vult met deze ingrediënten:

  • Brocolli
  • Courgette
  • Ajuin of sjalotte
  • Rundsbouillon

Maken doet ge zo: de brocolli kuisen en versnijden. Ge wilt de bloemetjes, de rest is van geen nut. Hetzelfde met de courgette en de anjuin slash sjalotte. In een grote pot op een zacht vuur doet fruit ge de ajuin. Dan gaan de brocolli en de courgette er bovenop. Ook die stoof je aan. Ondertussen maak je de bouillon klaar. Dan de gestoofde groentjes laten schrikken met water en de bouillon erbij kappen. Je laat het geheel gedurende een half uur verder garen op een zacht vuurtje. Vervolgens pakt ge uw staafmixer en ge mixt het geheel fijn. Presto! De soep is klaar. Je kan ze nog zeven en aankruiden (ik deed geen van de twee). Als ge het goed gedaan hebt, dan hebt ge nog wel genoeg over om de gaten in uw diepvries mee te vullen.

Op zich hoort ge het zaakje wel wat te zouten en eet ge ze best met een stevige boterham. Ik heb er al twee varianten op: tijdens het garen spekjes opbakken en in mijn soepkom gooien, of er gewoon gruyerekaas bij doen.

Nu, vaak maak ik dat niet. Het is niet iets wat in mij opkomt om zomaar te koken. Tjah, gewoonte en al. Het was collega E. die mij ertoe heeft aangezet. Nu, ik zou zelf op zoek kunnen gaan naar goeie recepten, maar, toegegeven, ik ben in de grond een bijzonder luie mens: soeptips zijn bij deze dus meer dan welkom.

En het klimmen? Wel, dat ging deze week een pak vlotter zo zonder opgeblazen gevoel en latent hongergevoel.

Smakelijk!

« Vorige blogposts Pagina 5 van 20 pagina's Volgende blogposts »