Lang geleden leerde ik van een Napolitaan hoe je pasta carbonara maakt. Dat
recept heb ik lang gevolgd. Uiteraard bestaan er zoveel variaties op het thema
als er Italianen zijn. En uiteraard zijn ze allemaal canoniek. Het was lang
geleden dat ik nog eens carbonara had gemaakt, toen ik eerder deze week
Andrew Rea van Binging with Babish aan de slag zag.
Long story short:
500gr spaghetti n° 12 van De Cecco
250gr spek of spekblokjes
4 eitjes + 1 dooier
200gr parmezaanse kaas (geraspt)
Zwarte peper
Kook de spaghetti al dente in een pot water die zo zout is als de zee. Doe de
spek in een koude pan en bak ze in haar eigen vet tot ze knisperig is geworden,
zet dan het vuur zeer laag of uit. Kluts de eieren en voeg ongeveer 150gr kaas
plus royaal peper toe. Haal de spekblokjes van het vuur. Voeg de gekookte
spaghetti toe aan de spekblokjes. Meng tenslotte goed het mengsel door de pasta.
Vanavond improviseerde ik in de keuken. Op algemeen verzoek maakte ik een
makkelijke wokschotel met udon noodles. Reken ongeveer 20 á 30 minuten werk. Dit
is het recept.
Ingrediënten voor 3 personen
100ml ketjap manis
150ml water
3 teentjes knoflook
2 à 3 theelepels maizena
2 eetlepels hengshun azijn (rode wijnazijn kan ook)
2 eetlepels sesamolie
1 brocolli
1 grote zak wokgroenten
400gr udon noedels (Suzi Wan)
1 citroen
Arachide olie
Stap 1: Snij de brocolli in fijne roosjes en plet / versnipper de knoflook. Doe
wat arachide-olie in de wok en wok de brocolli gedurende 5 minuten. Verhit
ondertussen de sesamolie in een aparte pan en bak de knoflook gaar op
middelmatig vuur.
Stap 2: Zet apart een pot water op een hoog vuur voor de noodles. Voeg de 150ml
water en de ketjap manis toe aan het pannetje met gebakken knoflook. Draai het
vuur laag. Voeg de maizena al roerend toe. Blijf roeren tot de saus begint in te
dikken. Haal het pannetje van het vuur en hou afgedekt apart.
Stap 3: Voeg nu de wokgroentjes aan de wok toe, met een scheutje extra arachide
olie. Wok de brocolli en de wokgroentjes verder gedurende enkele minuten tot de
groenten beetgaar zijn. Roer regelmatig om. Kook de noodles ondertussen los in
de aparte pot water en giet af na 2 tot 3 minuten.
Stap 4: Voeg eerst de noodles toe aan de wokpan en daarna de ingedikte saus.
Meng het geheel goed door elkaar. Pers de helft van de citroen naar smaak uit
over de wok.
Stap 5: Neem diepe borden en verdeel de noodles met de groentjes. Snij de andere
helft van de citroen in partjes en serveer apart.
Smakelijk! De ketjap manis heeft dit gerecht een volle, zachte smaak. De citroen
brengt zorgt voor frisheid. Nog enkele tips:
In plaats van knoflook kan je gember gebruiken. Citroen kan je vervangen door
limoen.
Liefhebber van pikant? Versnipper een halve rode peper en wok deze voor je de
brocolli en wokgroentjes doet.
Dit is een vegetarisch gerecht. Liefhebber van vlees? Je kan stukjes
rundsvlees met een derde tot de helft van de saus wokken in plaats van
brocolli.
Afwerken kan met sesamzaadjes of cashew nootjes of fijn gehakte
korianderblaadjes.
Ik heb een weekje vakantie. Tijd om de wondere wereld van
brood en zuurdesem wat verder te verkennen. Deze keer probeerde ik
focaccia te maken. Dit italiaanse platbrood is een eeuwenoude klassieker.
Zonder al te veel techniek is focaccia heel eenvoudig om te maken.
512g broodmeel of gewone bakbloem (Ik gebruikte Soubry broodmeel)
100g starter
440g lauw water
10g zout
Een zuurdesem starter maken is een leuke uitdaging, maar ze vraagt wel bijzonder
veel geduld. Reken op een week tot 10 dagen vooraleer je kan beginnen. Je kweekt
immers een levende cultuur van actieve gisten en lactobacillen. Je kan ook
starter vragen bij een bakker of online bakker.
Meng de starter en het zout met het water tot de starter is opgelost.
Meng dan het broodmeel met het water. Gebruik een spatel of ga loos met je
handen tot je een bal deeg hebt. Het deeg zal plakkerig aanvoelen: dat is
normaal. Het helpt om je handen wat nat te maken.
Bedek de kom met een doek en laat 30 minuten staan
Geef het deeg een serie van “stretch-n-folds”. Je neemt het deeg
vast, strekt het voorzichtig uit (zorg dat het niet breekt!) en dan vouw je
het dubbel op zichzelf. Draai de kom een kwartslag en herhaal. Doe dit 8 tot
10 keer. Deze manier van kneden bouwt stevigheid in het deeg op.
Bedek de kom opnieuw met een doek.
Nu laten we het deeg rusten en het zuurdesem zijn werk doen. Het desem
fermenteert het meel waardoor er bubbels met koolstofdioxide gas ontstaan. Zo
krijg je een luchtig brood. We wachten tot het deeg verdubbelt in omvang.
Afhankelijk van de omgevingstemperatuur kan dat zo’n 6 tot 18 uur duren.
In onze keuken bij 22 graden duurde het zo’n 6 uur. Piep dus af en toe.
Hoe groot is het deeg? Zie je bubbels? Is het deeg luchtig als je er even op
duwt met je vinger?
Focaccia brood
Haal het doek van de kom en giet een scheut olijfolie over het
gefermenteerde, opgeblazen deeg.
Neem een hoek van het gefermenteerde deeg, en plooi voorzichtig naar het
midden van het deeg. Doe dat ook met 3 andere hoeken. Het is normaal dat het
deeg inzakt.
Pak een ovenschaal en smeer die in met olijfolie.
Keer het deeg om uit de kom in de ovenschaal. De geplooide hoeken horen
onderaan te zitten.
Bedek de ovenschaal.
We laten het deeg opnieuw een aantal uren rusten. Opnieuw zal het deeg terug
rijzen en luchtig worden. Dat kan een goede 5 tot 6 uur duren. Afhankelijk van
de temperatuur kan het sneller. In mijn geval was 4 uur voldoende. Je zal zien
dat het deeg opnieuw in omvang toe neemt.
Bestrooi het deeg met wat grof zeezout.
Dan maak je putjes door je vingertoppen in het deeg te duwen.
Verwarm ondertussen de oven voor op 220 graden. Je bakt nu het brood gedurende
25 tot 30 minuten. Controleer af en toe. In de laatste tien minuten hoor je een
mooie bruine korst te zien verschijnen.
Haal het brood uit de oven en laat minstens 30 minuten tot een uur afkoelen
vooraleer je aansnijdt.
Een afgebakken focaccia brood
Dit is het basisrecept voor focaccia. Je hoeft je echter niet te beperken tot
zeezout. Een klassieker is focaccia met rozemarijn. Je kan ook
andere toppings op je brood aanbrengen zoals tomaat, paprika, ajuin,
basilicum of zelfs kaas of pikante salami. Je kan ook een zoetere focaccia maken
met honing en noten. Er bestaan talloze varianten.
Ik had even geleden het plan opgevat om een zuurdesembrood maken. Vandaag haalde
ik dit mooi, luchtig, stevig, krokante brood uit onze oven. Exact zoals
zuurdesem hoort eruit te zien en te smaken. In de afgelopen dagen had ik gelezen
dat het niet zo eenvoudig is om dit brood te maken. Schets mijn verwondering en
geluk met dit resultaat na een eerste poging. En dus deel ik graag even wat ik
geleerd heb en welke weg ik heb afgelegd.
Mijn allereerste zuurdesembrood
Er bestaat een eindeloze waaier aan recepten, tutorials en workshops die
aspirant bakkers leren hoe zuurdesembrood te maken. Het is best wel
overweldigend om wegwijs te geraken uit al die informatie. Brood maken is
blijkbaar iets wat tussen wetenschap en kunst steekt. Dit zijn de stukken en
beetjes die mij het meeste hebben geholpen:
Tasty heeft een video over het bereiden van de starter, en eentje
over het eigenlijke maken van het brood. Ook helder uitgelegd en komt in
grote mate overeen met de vorige video.
Ik ben 9 dagen geleden begonnen met het maken van starter. Een goede, actieve
starter is de basis voor een luchtig, smaakvol brood. Een starter is eigenlijk
een cultuur waarin je actieve gist en lactobacillen ontwikkelt. Brood is immers
een gefermenteerd product, net zoals kaas of bier, en een snede brood is
dus het gebakken eindproduct van een fermentatieproces. Het ontwikkelen van
zo’n actieve cultuur duurt al snel een week.
Ik heb uitsluitend gebruik gemaakt van roggebloem. Waarom roggebloem? Omdat
dat een grove bloemsoort is die makkelijk fermenteert. Je zou denken dat
fermentatie een kwestie is van op goed geluk een schimmel uit de lucht te
plukken, maar eigenlijk zitten de schimmels en organismen die je nodig hebt
grotendeels al in je bloem. En roggebloem is een goede bloemsoort om mee aan de
slag te gaan. Het kan perfect met andere bloemsoorten, maar ik koos voor rogge
omdat de snelle fermentatie meer aanmoediging geeft.
Serious Eats maakte een mooie vergelijking tussen bloemsoorten.
Elke avond ververste ik de starter (dus om de 24 uur een voeding). Dit was het
schema dat ik volgde:
Dag 1: 100gr roggebloem + 100gr water
Dag 2: laten rusten
Dag 3: 50gr starter + 100gr roggebloem + 100gr water
… dito tot en met dag 9: 50gr starter + 100gr roggebloem + 100gr water.
Dit is een verhouding: 1:2:2 met 100% hydratie. Je kan ook minder water
gebruiken, 1:1:2 of naar een verhouding 1:3:3 of 2:3:3 gaan. Dat heeft dan
impact op de evolutie van de fermentatie, en de consistentie van je starter. Ik
koos 1:2:2 omdat dat aangegeven werd in de meeste recepten voor beginners.
Ik heb 2 weckpotten van elk 1 liter. Een pot gebruik ik om actief starter in te
laten groeien, de andere staat in de koelkast en bevat de overschot: die kon
later nog wel eens van pas komen. Elke avond tussen 21 en 22 uur volgde ik deze
stappen:
Ik schepte met een houten lepel alle starter in een kommetje over.
Ik waste de lege weckpot met heet water en wat zeep volledig schoon, waarna ik
de pot goed afdroogde.
Dan schepte ik met de houten lepel 50gr starter in de schone weckpot.
Ik voegde de 100gr lauw water toe en ik roerde zodat de starter oploste in het
water.
Ik voegde de 100gr roggebloem toe. Tenslotte roerde ik het goedje goed om met
de steel van mijn houten lepel.
De overige 200gr ging in de weckpot met overschot.
De weckpot met actieve starter stond op onze dampkap. Het deksel stond een
beetje open en de opening was afgedekt met een doekje zodanig dat de starter kon
ademen. Ik had een plakker op de pot geplakt zodat ik kon zien hoe de starter
evolueerde. De starter stond niet in direct daglicht en ook niet direct in de
tocht: een droge, beschutte plaats dus. Onze thermostaat gaf gemiddeld tussen 21
en 23 graden aan in de ruimte. Overdag kan het vrij warm worden binnenshuis,
zeker in deze tijd van het jaar.
Het duurde even maar op dag 3 zag ik de eerste belletjes. Op dag 4 begon het
goedje stevig te rijzen. Elke morgen bereikte de starter haar hoogtepunt om dan
rond de middag terug in te zakken. Bij elke voeding werden de bellen groter.
Elke avond merkte ik dat de massa luchtiger werd. In het begin rook het goedje
muffig, maar na een aantal dagen kon ik duidelijk een weeë geur van alcohol
ruiken: het deed een beetje denken aan verschaald bier, wat in se ook een
product van fermentatie van granen is. En tegelijk neigde de geur ook naar de
gist die je bij de bakker kan kopen.
Mijn allereerste zuurdesembrood
De houten lepel? Wel, ik las verschillende malen dat je starter onder geen
beding met metaal in aanraking mag komen. Dat blijkt dus iets te zijn van
lang vervlogen tijden. In ieder geval, ik had ondertussen de gewoonte om
met een houten lepel te werken.
Met de overschot van de starter kan je allerlei extra’s maken. Zoals
pannenkoeken. Ik heb een kliek in de hete olie gegooid, bestrooid met lente-ui
en sesamzaad. Met een dipsausje van soja en Chinese zwarte azijn is dit best wel
een lekker tussendoortje. Eerlijk? Elke dag 200gr overtollige starter verstouwen
is best veel. Tenzij je elke dag brood maakt hoef je de starter ook niet
dagelijks te verversen. Het fermentatieproces vertraagt sterk in de koelkast
waardoor dat slechts een keer week hoeft in plaats van dagelijks.
En dan kwam de eerste dag vakantie en was het eindelijk tijd om brood te maken.
Ik volgde de The One Day Bake planner van Pro Home Cooks. Hoewel je niet de
hele dag in de keuken hoeft te wachten, moet je je dag wel rond een aantal
sleutelmomenten heen plannen. Als je zuurdesem wil maken, dan neem je best wat
slag om de arm en plan je je dag best niet te vol met allerlei andere
verplichtingen. Je brood moet doorheen twee cycli van bewerken en rijzen voor
het de oven in gaat: dat proces kan je enigszins sturen waardoor je meer
flexibiliteit koopt. Ofwel bewaar je je tussentijds in de koelkast, ofwel geef
je het rijzen een korte boost in een oven op 30 graden.
Je hebt ook ingrediënten nodig. Het recept van Pro Home Cooks bevat
hoeveelheden voor 2 broden. Ik heb alles herberekend voor 1 brood:
De verhouding water tot bloem is 75%. Mijn ervaring is dat je een nogal nat deeg
krijgt, of beter, een zeer sticky bedoening. In een volgend brood zou ik iets
verlagen naar 72% om iets makkelijker met het deeg te kunnen werken. Naar het
schijnt hoort zuurdesem wel een nat deeg te zijn, dus veel lager zou ik niet
meteen gaan. Ik koos ook voor 500gr tarwebloem, maar je kan natuurlijk
bloemsoorten mengen. Ik heb even getwijfeld om er een deel rogge in te doen,
maar voor een eerste experiment bleef ik liever bij het recept.
Je hoeft je niet te beperken tot de basis. Je kan ook allerlei extra’s aan
het deeg toevoegen: een zoete toets via honing of vruchtensap, of een hartige
ondertoon met zongedroogde tomaat of olijven.
Ik startte de avond voor de bakdag met de voorbereidingen. Naast het verversen
van de starter mengde ik het water en de bloem tot een soort shaggy, half
gemengde massa. Ik liet de massa tot de volgende morgen onafgedekt op het
aanrecht staan. Waarom? Autolyse. Het water verzadigt de bloemkorrels,
enzymen starten met het afbreken van de bloemkorrels in suikers (voeding voor de
gist!) en gluten starten zich te ontwikkelen. Autolyse zorgt ervoor dat
het deeg beter kan worden bewerkt. De fout die ik maakte is om de massa niet af
te dekken: ’s morgens had ik een hard toplaagje dat het werken met het
deeg niet zo aangenaam maakte. Gelukig had dat geen echte invloed op het
uiteindelijke resultaat.
Bloem en water gemengd tot een grove massa, klaar om een nachtje te rusten.
De volgende morgen om 9u begon ik met het mengen van de starter en het zout door
het deeg via de fold en stretch methode. Deze techniek bestaat er in dat je
het deeg langs een kant optilt, voorzichtig uitrekt en dan op zichzelf plooit.
Je draait de kom vervolgens een kwartslag en je voert dezelfde handeling opnieuw
uit. Dat deed ik een 6 tot 7 keer, tot de starter en het zout voldoende waren
opgenomen.
Op geen enkel moment ben ik beginnen kneden. Het was dan ook
no-knead sourdough. De starter en het deeg ondergaan een proces van
fermentatie dat CO2 belletjes geeft die het brood luchtig maken, daarnaast zorgt
het trekken en plooien voor het verstevigen van de gluten. Begin je in het wilde
weg te kneden, dan verstoor je dat proces en maak je de structuur van het deeg
kapot. Tip: bevochtig je vingers met water! Zo kleeft het deeg minder aan je
vingers.
Ik heb tussen 9u en 11u om de 30 minuten het deeg in de kom getrokken en
geplooid. Na 4 keer merkte ik dat het deeg steviger en stretchy was geworden.
Het was nog altijd sticky, maar het scheurde niet meer zo snel. Dat was het
teken dat er zich een goede glutenstructuur had ontwikkeld in het deeg.
Na 2 uur elke 30 minuten bewerken. Klaar om een eerste keer te rusten en te rijzen.
Tussen 11u en 15u liet ik het deeg afgedekt met een boord op het aanrecht staan
om te rijzen. Dit is de bulk rise fase. Na enkele uren piepte ik eens onder
het bord en zag ik dat het deeg mooi in volume was toe genomen. Dat waren
cruciale uren waarin de desem in het deeg nu echt wel volop actief fermenteerde.
Tijdens deze fase zorgde de gist voor de luchtige CO2 bubbels in het deeg. Ik
besloot uiteindelijk om het wat extra tijd te geven om het deeg voldoende in
volume te laten groeien.
Na 4 uur rusten. Het ziet er plakkerig uit, maar als je voorzichtig bent, kan je het deeg in een geheel uit de kom halen.
Tegen 15u bestrooide ik het aanrecht met bloem. Je wil voldoende bloem gebruiken
maar ook niet te veel. Ook al is het deeg plakkerig en kleeft het aan de pot en
je handen, laat je niet verleiden om zoveel mogelijk bloem te gebruiken. Ook dat
heeft impact op je brood. Met een deegschraper haalde ik het deeg uit mijn pot
en liet ik het nog 30 minuten rusten op het aanrecht: het deeg zal mooi plat
vallen en dat hoort ook zo.
Ondertussen deed ik een propere katoenen handdoek in mijn rijsmandje en
bestrooide ik dat met gezeefde bloem. Dan begon het echte werk: Ik vouwde het
deeg enkele malen op net als geschenkpapier: ik pakte de hoeken vast en ik
plooide die naar binnen, het midden van het deeg. Dat deed ik enkele keer. De
bedoeling is om een soort bol te krijgen met een huid die voldoende onder
spanning staat. Let op dat je niet te ver gaat tot het deeg scheurt! De kant met
de “naden” die je nu hebt is eigenlijk de onderkant van het brood.
Dit proces was ook weer een sticky bedoening: het hielp om mijn handen eerst met
wat bloem in te wrijven. Ook hier: niet kneden! Anders maak je de structuur
kapot en krijg je een plat brood.
Het deeg van mijn aanrecht plukken was wat gehannes. Gelukkig had ik ook
geïnvesteerd in een deegschraper. Met een beetje geduld en voorzichtigheid
lukte dat wel. Je zal merken dat het deeg op dit punt wel plakt, maar ook
voldoende consistent is dat het mooi bijeen blijft als je het los pulkt. Daarna
legde ik het deeg in het rijsmandje, kant met de naden naar boven. Het
rijsmandje bedekte ik met een andere handdoek.
Bekijk zeker de filmpjes hierboven om een idee te hebben van de technieken die
de pro’s hanteren.
Het deeg kon nu een tweede keer rijzen. Dit is de proofing van het deeg.
Dat was een proces dat ik nog eens een dikke 3 tot 4 uur heb gegeven. Eigenlijk
laat je het deeg nogmaals rusten en geef je de fermentatie andermaal een kans om
een cyclus door te maken. Ik had sowieso het plan om ’s avonds te bakken,
maar je kan dit proces ook sterk vertragen door je deeg in de koelkast te
bewaren om het dan de dag erna, ’s morgens, te bakken. De experts op
YouTube gaven de tip om het deeg in een plastiek zak te steken. Waarom was me
niet helemaal duidelijk, en dus heb ik dat ook niet gedaan.
Eindelijk was het moment daar om te bakken. Ik heb een
Lodge Iron Cast Combo Cooker aangeschaft zodanig dat ik brood als een
Dutch Oven kan bakken. Een Creuset of een Emile Henry zijn
uiteraard ook geschikt. Waarom een dutch oven in plaats van gewoon op een
bakplaat? Omdat een afgesloten pan het vocht uit het deeg omzet in stoom wat
goed is voor de ontwikkeling van het brood en de korst. Dit vond ik een
bijzonder spannend moment omdat ik hier met een zeer hete, zeer zware pan moest
werken.
Ik verwarmde de oven, met de Logde afgedekt en ingeladen, voor op 250 graden,
boven- en onderwarmte (geen hete lucht of zo) gedurende 25 minuten. De lodge
stond niet op een grill, maar op de bakplaat: dat was een tip van Pro Home
Cooks. Zo vermijd je dat de onderkant van het brood aanbakt.
Na 25 minuten haalde ik de Lodge uit de oven (opletten voor de vingers! Dit is
enkele kilo heet ijzer!). Ik haalde de handdoek van het rijsmandje en legde
bakpapier over het deeg. Dan draaide ik het mandje voorzichtig om zodat het deeg
op het papier terecht komt. Vervolgens was het kwestie om voorzichtig de
handdoek van de bovenkant van het deeg te halen. Tenslotte nam ik de vier hoeken
van het papier vast en plaatste ik het geheel in de Lodge. Met een schaar knipte
ik het overtollige papier weg.
Tenslotte is er de scoring van het brood. De bedoeling is dat je een of
meerdere insneden maakt zodat je brood mooi kan uitzetten, en je het typische
crusty “oor” krijgt op een zuurdesembrood. Ik maakte gebruik van een
scherp fileermes, maar eerlijk gezegd is een scheermesje echt wel het handigste
om een proper insnede te maken. Zodra ik dat gedaan had ging het deksel op de
pot, en het geheel terug in de oven.
Ik bakte het brood gedurende 20 minuten op 250 graden. Dit is het spannende deel
want nadien mag het deksel van de pan. Dat was het moment suprême: Mijn brood
was mooi gerezen in de pan door de warmte en had ook een mooi beginnende korst:
de oven spring. Succes! Ik liet mijn brood nog eens 20 minuten bakken bij
230 graden zonder deksel. Het brood ontwikkelde een mooie, diepbruine korst. Dat
was een proces dat ik van minuut tot minuut kon volgen. Na 20 minuten maakte het
brood een mooie en afgewerkte indruk. Ik zette de oven uit en ik liet het brood
nog eens 20 minuten in de oven afkoelen met de ovendeur op een kier: dat proces
zorgt ervoor dat de korst verder kon ontwikkelen.
De temperaturen heb ik wat met de natte vinger bepaald. Sommigen zeggen dat je
moet bakken op 230 graden, anderen op 260 of zelfs 270 graden. Ik koos voor een
gulden middenweg. Ook naar baktijden heb ik een beetje een gulden middenweg
genomen tussen alle verschillende baktijden die ik ben tegen gekomen.
Na een uur kon het brood uit de oven gehaald worden. Ik heb het nog eens een
dikke 2 uur laten afkoelen en rusten vooraleer we het durfden aan te snijden en
te proeven met een stukje zoute boter. Heerlijk! Precies zoals het hoort te
smaken! Het was bovendien een brood met een mooie luchtige structuur door de
uitgezette gassen die het resultaat waren van het lange fermentatieproces.
Wat heb ik geleerd?
Zuurdesem is een beetje een teamactiviteit: je werkt samen met de
micro-organismen die het deeg fermenteren. Als bakker ben je verantwoordelijk
om de juiste omstandigheden te scheppen zodat het deeg zich kan ontwikkelen.
Je controleert het resultaat dus eerder indirect.
Er komt wat techniek bij kijken, maar niets dat wat ik als “voor
gevorderden” zou omschrijven. Het deeg mag dan bij momenten plakkerig en
lastig handelbaar lijken, het is vooral een kwestie van vertrouwen om door te
zetten.
Dit vraagt wat toewijding. Niet dat ik elk uur hiermee bezig was, maar de
starter en het deeg zijn levende culturen die je aandacht en tijd vragen. Voor
mij was het ook een proces van leren observeren: wat gebeurt er in de starter?
Hoe ruikt het geheel? Wat gebeurt er als ik lauw eerder dan koud water
gebruik? Wat gebeurt er in de koelkast? Hoe ziet het deeg er nu uit? Hoe voelt
het deeg aan qua consistentie?
Het proces valt uiteen in best wel een aantal stappen over verschillende
dagen. Een zuurdesem maak je niet op een verloren zondagmiddag.
Je hebt wat specifiek keukengerei nodig, maar dat hoeft ook geen honderden
euro’s te kosten. Zo kocht ik de Lodge voor een fractie van de prijs van
een Le Creuset. Ook het rijsmandje en een deegschraper vind je makkelijk
online terug.
Mijn starter steekt nu in de koelkast. Zo hoef ik die slechts eens om de week
te verzorgen. Een goed ontwikkelde starter is het halve werk, dus ik kan
volgend weekend al vrij snel een volgend brood maken.
Dit is voor mij zeker en vast voor herhaling vatbaar. Benieuwd of ik dit
resultaat andermaal kan evenaren.
In de kerstvakantie smeet ik mij in de patisserie. Dat moet van sinds de
kooklessen geleden zijn gweest. In onze meter staat
Thuis Gebakken van de Colruyt. Ik had er op tien minuten twee
projectjes uit gekozen waar ik mij wel aan wilde wagen: havermoutkoekjes
met witte chocolade en jeneverbessen en brownies met pistache- en amandelnoten.
Ik had die twee nog nooit gemaakt, maar blijkt dus dat dat andermaal doodsimpel
is. In deze blogpost: de havermoutkoekjes.
Zie hier de stapel ingrediënten waarmee alles begon.
Havermoutkoekjes
Allemaal dingen die in de Colruyt te vinden zijn. Ik haalde
alles uit de plaatselijke Delhaize wegens dichter bij huis.
Dit is het recept. Moeilijk is het niet. In de kookles leerde ik dat
patisserie wel om exacte hoeveelheden vraagt. Dus alles afwegen is een must.
Afwegen koekjes
De chocolade moet ik hier nog fijn hakken. Dat moeten geen schilfers zijn, maar
ook geen grote brokken. Kleine brokjes volstaan. (Excuus voor de kwaliteit van
de foto)
Schilfers
Moving on.
De volgende stap is boter laten smelten in een pannetje en ondertussen de
suiker, veenbessen, bloem, ahornsiroop, bakpoeder en chocolade mengen in een
kom. Eenmaal gesmolten, roeren we de boter onder het koekjesdeeg. Het geheel
wordt een soort sticky prut.
Let wel op. Ik heb de koekjes tweemaal gemaakt. De eerste keer had mijn mengsel
een mooie consistentie. De tweede keer was mijn beslag te loperig. Ik vermoed
door de siroop. In dat geval is het lastiger om de koekjes te bakken.
Nu is het kwestie van de koekjes te vormen op een bakplaat met bakpapier. Dat
kan je met de hand doen. Of door van quenelling te doen met twee lepels. Ik
ging voor de laatste stap omdat het mengels hierboven best wel plakkerig
was en je op die manier mooie, gelijke hoeveelheden koekjesdeeg kan
verdelen.
Na een tiental minuutjes in de oven: zie hier het resultaat.
Uit de oven
Hier ten huize is die eerste lading bijzonder snel in de buiken verdwenen. Als
je het een beetje in de vingers hebt, kan je makkelijk in 30 minuten tijd een
bakplaat vol produceren.
Vandaag had ik het commando over het potten en pannen. We hebben hier dan wel
een meter kookboeken staan… maar het eindigde er mee dat ik inspiratie
ging zoeken op het Internet. Ik besloot om Jamie Oliver’s
Pukka Yellow Curry te serveren. Met een bruschetta als voorgerechtje.
Een curry maken is niet zo moeilijk. Het recept bevat grotendeels
basisingrediënten die je gewoon in de supermarkt kan vinden. Er komen ook geen
speciale roer- of baktechnieken bij kijken. Wat je wel nodig hebt is een portie
geduld. Een curry wordt alleen maar beter als je ze voldoende tijd geeft om op
smaak te komen. Reken dus snel een anderhalf uur werk.
We starten met een berg ingrediënten:
De ingredienten
De bruine zakken, da’s iets nieuws in de plaatselijke Delhaize. Tot voor
kort waren er enkel plastic zakjes om je verse groenten in te draaien.
Uiteraard niet goed voor het milieu, een enkele citroen in een plastic
zakje. Sinds kort hangen er dus die bruine zakken als alternatief (het plastic
hangt er – vreemd genoeg – nog altijd) Uiteraard verkies ik
papier boven het plastic, wanneer het kan. Beetje jammer dus dat de verse
kruiden dan weer in plastic worden aangeboden.
Volgende stap: de curry pasta.
De curry pasta
Niet zo moeilijk om te maken, gooi deze ingrediënten in de keukenrobot en
verwerk ze tot een pasta:
1 Ajuin
2 Gele paprika’s
2 gestripte chili pepers
5 cm gember
1 blokje groentebouillon
1 theelepel kurkuma
2 theelepels kerriepoeder
15 gram koriander
1 eetlepel honing
Ondertussen gaan er 8 kippenboutjes in de stoofpot. Ik bak ze goudbruin in een
royale hoeveelheid olijfolie. En met royaal bedoel ik: genoeg om te maken dat
het vel niet aanbakt aan de bodem van de casserole.
De kippenboutjes
Na een minuutje of 10 horen ze goudbruin gebakken te zijn. Dan mag je ze er
terug uit halen en apart bewaren. Volgende stap: de resterende ajuin en gele
paprika opbakken in de resterende olijfolie in 5 minuten. Vervolgens doen we er
de zelfgemaakte currypasta, 400 gram kikkererwten en een kledder
tomatenconcentraat bij. Goed omroeren in 2 minuten.
Dan voegen we 500 ml kokend water toe en goeien we de kippenbouten terug in de
pot.
Kokende curry
Het zwaarste hebben we zowat gehad. Nu is het kwestie van het deksel op de pot
te houden en de boel gedurende 45 minuten te laten sudderen op een middelmatig
vuur. Af en toe eens controleren of de saus al is ingedikt.
Dat geeft ons nu de tijd om de bruschetta te maken. Nog doodsimpel-der. Ik
haalde dit in huis:
Een ciabatta
Een paar tomaten
Een bosje basilicum
Ciabatta schuin in stukken van 1cm dik snijden. De bovenkant eerst goed
inwrijven met een gekneusde, dikke knoflookteen. Dan insmeren met olijfolie en
afkruiden met een beetje zeezout en peper. Ciabatta op een bakplaat (of
ovenschaal) en dan gedurende 5 à 10 minuten roosteren in de oven. Daarna terug
uit halen en garneren met schijfjes tomaat en versneden basilicum.
De bruschetta
Vooraleer je geniet van de brusschetta: hou de tijd even in de gaten. 15 minuten
voor de curry klaar is, maak je wat witte basmati rijst klaar. Dat kan in een
builtje, maar wij gaan hier thuis voor de losse rijst in de
Tupperware Rijstkoker. Snij schijfjes citroen, versnijd de resterende
koriander en dump wat magere yoghurt in een kommetje.
Als je goed hebt getimed, dan kan je vrijwel aansluitend na het voorgerechtje
genieten van de curry. Zo ziet de curry er na 45 minuten uit in de casserole:
De afgewerkte curry! smakelijk!
En zo ziet ze er uit gegarneerd en al:
De gegarneerde curry
En hoe het smaak? In één woord: machtig! Een goede curry is er eentje rijk aan
smaken en indrukken. Pikant natuurlijk ook. Het vlees valt van de kippenbout. De
kikkererwten zijn zacht en mals. De yoghurt kan je op de curry zelf doen, maar
ook als side dish serveren.
Ik heb nog een restje in de koelkast staan. Benieuwd hoe het morgen zal
smaken na een nachtje verder trekken.
Oké, ik heb dus een zwak voor pasta. Een zware zwak dan. Niets is lekkerder en
sneller gemaakt dan pasta. Meer zelfs, pasta laat je toe om zeer creatief te
gaan en de meest extravagante gerechten te brouwen. O ja, ik denk dat ik nog
niet genoeg pasta heb gezegd.
Dus. Woensdagmiddag bereidde Bram een pastaschoteltje om mee te nemen naar Rock
Werchter. Veel hield het niet in: koude pasta, blokjes kaas en brokjes rode
paprika. Snel gemaakt en lekker licht als je dan toch onder een loden zon net je
tentje hebt opgezet. Natuurlijk kon ik het niet laten om vanavond met het
recept eens aan de slag te gaan.
Voor mijn nieuwe vondst heb je het volgende nodig:
Pasta. Bij voorkeur spirelli.
Een paprika. Kleur naar smaak.
Een blok jonge kaas. Of oud. Maakt eigenlijk niet zoveel uit. Emmenthal is ook
lekker!
Olijfolie
Basilicum
Je gaat als volgt te werk:
Kook de pasta. Al dente, zacht, hard. Maakt niet uit. Snij ondertussen de
paprika en de kaas in blokjes. Hoeveelheid geheel naar eigen goesting. Laat het
water uit de pasta lopen. Zet de pot terug op het vuur en gooi er de kaas en de
paprika terug bij. Laat op een extreem zacht vuur de pot een vijf minuutjes
staan. Net genoeg om de kaas zacht te laten worden en een klein beetje te laten
smelten. Doe er een scheut(je) olijfolie bij en op het laatst gooi je er de
basilicum bij. Ondertussen blijf je het geheel omroeren zodat er niets
aanbrandt. Niet dat dat zou mogen want de laatste fase gebeurt op een laag pitje
Serveer het geheel warm met een glas witte wijn. Ik moet zeggen dat de Gallo van
de Carrefour wel een goede keuze bleek!
Smakelijk!
(Geen idee of dit toevallig al niet bestaat laat staan of het een naam heeft.)
Vroeger blogde ik al eens over mijn kookavonturen. Nu ik over en ietwat grotere
keuken beschik, wordt het weer eens tijd voor wat meer geëxperimenteer.
Gisterenavond heb ik nog eens spaghetti alla carbonara gemaakt. Italian style.
Hier in Vlaanderen hebben we de slechte gewoon te dit heerlijke gerecht te maken
met room en/of kaas. Een Italiaanse kennis vertrouwde mij toe dat dat eigenlijk
vloeken tegen de kerk is. Sindsdien volg ik zijn recept om de echte te maken.
Wat heb je nodig? (1 persoon)
Pasta (make your pick!)
Witte wijn (1 glas)
Olijfolie
reepjes gerookte spek of ham (150 tot 200 g)
Eieren (2 per persoon)
Peper en wat kruiden.
Hoe ga je te werk?
Zet een pot water op het vuur en breng het aan de kook. Die heb je nodig voor de
pasta. Ondertussen bak je het vlees in olijfolie. Doe er wat peper en kruiden
bij. Ik neem meestal het veilige basilicum. Heb je voor ham (wegens geen
gerookte spek voor handen), dan kan je eventueel een snuif zout toevoegen. Hou
het eenvoudig en begin niet met allerlei kruidencombinaties. Als het vlees gaar
gebakken is doe je er de witte wijn bij. Laat het vlees rustig sudderen in de
witte wijn.
Als het water kookt gooi je er de pasta in en maak je die gaar (al dente of naar
eigen smaak) Giet het water af uit de pot. Breek de eieren en scheidt het eiwit
van de dooier. Die laatste meng je doorheen de warme spaghetti. Laat de gebroken
dooier zacht stollen zodat ze goed plakt met de spaghetti. Doe het in de wijn
gemarineerde vlees bij de pasta. Meng nog eens stevig.
Opdienen met een glas wijn. Afwerken kan je eventueel met een takje peterselie.
Als je alles in huis hebt kan je dit makkelijk op een half uurtje bereiden. Een
geoefende chef zal het ongetwijfeld nog veel sneller kunnen. Hou er wel rekening
mee dat dit een cholesterolbom is.
De week van de smaak is dan wel voorbij, ’t is nooit te laat om toch nog
net een bijdrage te leveren. Vanavond heb ik een recept van ons aller Piet
Huizentruyt gemaakt: tomatensoep! Klassiek en zonder veel franjes, maar wel
overheerlijk.
En ja, ik vind SOS Piet een beestig goed kookprogramma. Eindelijk eens een
programma dat toont hoe je normale kost kunt maken. Geen Herwig van Hove
toestanden of Come Chez Soit allures. Neen, gewoon wat je zelf kan maken. En nog
op een aanschouwelijke manier aangebracht ook! Go Piet! Ahum, de soep dus.
Missie: deze ingrediënten proberen samen te brengen in een smaakvol
geheel.
Eerst en vooral alles snijden. Ik zal u zeggen: ik kan ab-so-luut niet tegen
gesneden ajuin. Ik moet om de minuut even de badkamer invluchten omdat mijn ogen
pikken dat het geen naam mag hebben. Eenmaal die marteling doorstaan had ik
dit:
De volgende stap is natuurlijk alles in de pot gooien. Om te beginnen heb ik de
aardappel en de ajuin gewoon goed gestoofd in een weinig braadvet. Daarna ging
de tomaat ook in de pot, samen met een litertje
water.
En dat laten we gedurende twintig minuutjes rustig koken. No rush. Ondertussen
tijd om even de balletjes voor te bereiden: gehakt draaien en in de bloem doen.
Dan krijg je dit:
Zo, daarna een beetje voor de TV hangen en wachten tot de kookwekker afgaat.
Eenmaal gekookt moet je eerst goed mixen. De volgende stap is de soep goed zeven
om alle onzuiverheden weg te krijgen (tomatenpitjes, tomatenvelletjes, restjes
ajuin) en een elegale soep te krijgen. Dat lukte mij, voor een allereerste keer
soep maken, wonderwel:
Om het op smaak te krijgen deed ik er een halve kop groentenbouillon bij en een
goede koffielepel tomatenconcentraat. Volgens Piet kan je er ook ketchup bij
doen, maar gezien de hoeveelheid die ik maakte zou dat van het goede teveel
geweest zijn. Daarna de balletjes erin en het geheel zachtjes laten sudderen tot
de balletjes goed gekookt zijn.
Op de foto zie je duidelijk de dieprode kleur die het concentraat aan de soep
heeft gegeven. Wel een beetje opletten want je teveel concentraat overheerst de
smaak. Afwerken doe je met zout, peper en eventueel kruiden naar keuze. Maar ook
die laatste heb ik gelaten voor wat ze waren.