Categorieën
Leven

Ik bakte een overheerlijk zuurdesembrood

Ik had even geleden het plan opgevat om een zuurdesembrood maken. Vandaag haalde ik dit mooi, luchtig, stevig, krokante brood uit onze oven. Exact zoals zuurdesem hoort eruit te zien en te smaken. In de afgelopen dagen had ik gelezen dat het niet zo eenvoudig is om dit brood te maken. Schets mijn verwondering en geluk met dit resultaat na een eerste poging. En dus deel ik graag even wat ik geleerd heb en welke weg ik heb afgelegd.

Er bestaat een eindeloze waaier aan recepten, tutorials en workshops die aspirant bakkers leren hoe zuurdesembrood te maken. Het is best wel overweldigend om wegwijs te geraken uit al die informatie. Brood maken is blijkbaar iets wat tussen wetenschap en kunst steekt. Dit zijn de stukken en beetjes die mij het meeste hebben geholpen:

Ik ben 9 dagen geleden begonnen met het maken van starter. Een goede, actieve starter is de basis voor een luchtig, smaakvol brood. Een starter is eigenlijk een cultuur waarin je actieve gist en lactobacillen ontwikkelt. Brood is immers een gefermenteerd product, net zoals kaas of bier, en een snede brood is dus het gebakken eindproduct van een fermentatieproces. Het ontwikkelen van zo’n actieve cultuur duurt al snel een week.

Ik heb uitsluitend gebruik gemaakt van roggebloem. Waarom roggebloem? Omdat dat een grove bloemsoort is die makkelijk fermenteert. Je zou denken dat fermentatie een kwestie is van op goed geluk een schimmel uit de lucht te plukken, maar eigenlijk zitten de schimmels en organismen die je nodig hebt grotendeels al in je bloem. En roggebloem is een goede bloemsoort om mee aan de slag te gaan. Het kan perfect met andere bloemsoorten, maar ik koos voor rogge omdat de snelle fermentatie meer aanmoediging geeft. Serious Eats maakte een mooie vergelijking tussen bloemsoorten.

Elke avond ververste ik de starter (dus om de 24 uur een voeding). Dit was het schema dat ik volgde:

  • Dag 1: 100gr roggebloem + 100gr water
  • Dag 2: laten rusten
  • Dag 3: 50gr starter + 100gr roggebloem + 100gr water
  • … dito tot en met dag 9: 50gr starter + 100gr roggebloem + 100gr water.

Dit is een verhouding: 1:2:2 met 100% hydratie. Je kan ook minder water gebruiken, 1:1:2 of naar een verhouding 1:3:3 of 2:3:3 gaan. Dat heeft dan impact op de evolutie van de fermentatie, en de consistentie van je starter. Ik koos 1:2:2 omdat dat aangegeven werd in de meeste recepten voor beginners.

Ik heb 2 weckpotten van elk 1 liter. Een pot gebruik ik om actief starter in te laten groeien, de andere staat in de koelkast en bevat de overschot: die kon later nog wel eens van pas komen. Elke avond tussen 21 en 22 uur volgde ik deze stappen:

  • Ik schepte met een houten lepel alle starter in een kommetje over.
  • Ik waste de lege weckpot met heet water en wat zeep volledig schoon, waarna ik de pot goed afdroogde.
  • Dan schepte ik met de houten lepel 50gr starter in de schone weckpot.
  • Ik voegde de 100gr lauw water toe en ik roerde zodat de starter oploste in het water.
  • Ik voegde de 100gr roggebloem toe. Tenslotte roerde ik het goedje goed om met de steel van mijn houten lepel.
  • De overige 200gr ging in de weckpot met overschot.

De weckpot met actieve starter stond op onze dampkap. Het deksel stond een beetje open en de opening was afgedekt met een doekje zodanig dat de starter kon ademen. Ik had een plakker op de pot geplakt zodat ik kon zien hoe de starter evolueerde. De starter stond niet in direct daglicht en ook niet direct in de tocht: een droge, beschutte plaats dus. Onze thermostaat gaf gemiddeld tussen 21 en 23 graden aan in de ruimte. Overdag kan het vrij warm worden binnenshuis, zeker in deze tijd van het jaar.

Het duurde even maar op dag 3 zag ik de eerste belletjes. Op dag 4 begon het goedje stevig te rijzen. Elke morgen bereikte de starter haar hoogtepunt om dan rond de middag terug in te zakken. Bij elke voeding werden de bellen groter. Elke avond merkte ik dat de massa luchtiger werd. In het begin rook het goedje muffig, maar na een aantal dagen kon ik duidelijk een weeë geur van alcohol ruiken: het deed een beetje denken aan verschaald bier, wat in se ook een product van fermentatie van granen is. En tegelijk neigde de geur ook naar de gist die je bij de bakker kan kopen.

De houten lepel? Wel, ik las verschillende malen dat je starter onder geen beding met metaal in aanraking mag komen. Dat blijkt dus iets te zijn van lang vervlogen tijden. In ieder geval, ik had ondertussen de gewoonte om met een houten lepel te werken.

Met de overschot van de starter kan je allerlei extra’s maken. Zoals pannenkoeken. Ik heb een kliek in de hete olie gegooid, bestrooid met lente-ui en sesamzaad. Met een dipsausje van soja en Chinese zwarte azijn is dit best wel een lekker tussendoortje. Eerlijk? Elke dag 200gr overtollige starter verstouwen is best veel. Tenzij je elke dag brood maakt hoef je de starter ook niet dagelijks te verversen. Het fermentatieproces vertraagt sterk in de koelkast waardoor dat slechts een keer week hoeft in plaats van dagelijks.

En dan kwam de eerste dag vakantie en was het eindelijk tijd om brood te maken.

Ik volgde de The One Day Bake planner van Pro Home Cooks. Hoewel je niet de hele dag in de keuken hoeft te wachten, moet je je dag wel rond een aantal sleutelmomenten heen plannen. Als je zuurdesem wil maken, dan neem je best wat slag om de arm en plan je je dag best niet te vol met allerlei andere verplichtingen. Je brood moet doorheen twee cycli van bewerken en rijzen voor het de oven in gaat: dat proces kan je enigszins sturen waardoor je meer flexibiliteit koopt. Ofwel bewaar je je tussentijds in de koelkast, ofwel geef je het rijzen een korte boost in een oven op 30 graden.

Je hebt ook ingrediënten nodig. Het recept van Pro Home Cooks bevat hoeveelheden voor 2 broden. Ik heb alles herberekend voor 1 brood:

De verhouding water tot bloem is 75%. Mijn ervaring is dat je een nogal nat deeg krijgt, of beter, een zeer sticky bedoening. In een volgend brood zou ik iets verlagen naar 72% om iets makkelijker met het deeg te kunnen werken. Naar het schijnt hoort zuurdesem wel een nat deeg te zijn, dus veel lager zou ik niet meteen gaan. Ik koos ook voor 500gr tarwebloem, maar je kan natuurlijk bloemsoorten mengen. Ik heb even getwijfeld om er een deel rogge in te doen, maar voor een eerste experiment bleef ik liever bij het recept.

Je hoeft je niet te beperken tot de basis. Je kan ook allerlei extra’s aan het deeg toevoegen: een zoete toets via honing of vruchtensap, of een hartige ondertoon met zongedroogde tomaat of olijven.

Ik startte de avond voor de bakdag met de voorbereidingen. Naast het verversen van de starter mengde ik het water en de bloem tot een soort shaggy, half gemengde massa. Ik liet de massa tot de volgende morgen onafgedekt op het aanrecht staan. Waarom? Autolyse. Het water verzadigt de bloemkorrels, enzymen starten met het afbreken van de bloemkorrels in suikers (voeding voor de gist!) en gluten starten zich te ontwikkelen. Autolyse zorgt ervoor dat het deeg beter kan worden bewerkt. De fout die ik maakte is om de massa niet af te dekken: ’s morgens had ik een hard toplaagje dat het werken met het deeg niet zo aangenaam maakte. Gelukig had dat geen echte invloed op het uiteindelijke resultaat.

Bloem en water gemengd tot een grove massa, klaar om een nachtje te rusten.

De volgende morgen om 9u begon ik met het mengen van de starter en het zout door het deeg via de fold en stretch methode. Deze techniek bestaat er in dat je het deeg langs een kant optilt, voorzichtig uitrekt en dan op zichzelf plooit. Je draait de kom vervolgens een kwartslag en je voert dezelfde handeling opnieuw uit. Dat deed ik een 6 tot 7 keer, tot de starter en het zout voldoende waren opgenomen.

Op geen enkel moment ben ik beginnen kneden. Het was dan ook no-knead sourdough. De starter en het deeg ondergaan een proces van fermentatie dat CO2 belletjes geeft die het brood luchtig maken, daarnaast zorgt het trekken en plooien voor het verstevigen van de gluten. Begin je in het wilde weg te kneden, dan verstoor je dat proces en maak je de structuur van het deeg kapot. Tip: bevochtig je vingers met water! Zo kleeft het deeg minder aan je vingers.

Ik heb tussen 9u en 11u om de 30 minuten het deeg in de kom getrokken en geplooid. Na 4 keer merkte ik dat het deeg steviger en stretchy was geworden. Het was nog altijd sticky, maar het scheurde niet meer zo snel. Dat was het teken dat er zich een goede glutenstructuur had ontwikkeld in het deeg.

Na 2 uur elke 30 minuten bewerken. Klaar om een eerste keer te rusten en te rijzen.

Tussen 11u en 15u liet ik het deeg afgedekt met een boord op het aanrecht staan om te rijzen. Dit is de bulk rise fase. Na enkele uren piepte ik eens onder het bord en zag ik dat het deeg mooi in volume was toe genomen. Dat waren cruciale uren waarin de desem in het deeg nu echt wel volop actief fermenteerde. Tijdens deze fase zorgde de gist voor de luchtige CO2 bubbels in het deeg. Ik besloot uiteindelijk om het wat extra tijd te geven om het deeg voldoende in volume te laten groeien.

Na 4 uur rusten. Het ziet er plakkerig uit, maar als je voorzichtig bent, kan je het deeg in een geheel uit de kom halen.

Tegen 15u bestrooide ik het aanrecht met bloem. Je wil voldoende bloem gebruiken maar ook niet te veel. Ook al is het deeg plakkerig en kleeft het aan de pot en je handen, laat je niet verleiden om zoveel mogelijk bloem te gebruiken. Ook dat heeft impact op je brood. Met een deegschraper haalde ik het deeg uit mijn pot en liet ik het nog 30 minuten rusten op het aanrecht: het deeg zal mooi plat vallen en dat hoort ook zo.

Ondertussen deed ik een propere katoenen handdoek in mijn rijsmandje en bestrooide ik dat met gezeefde bloem. Dan begon het echte werk: Ik vouwde het deeg enkele malen op net als geschenkpapier: ik pakte de hoeken vast en ik plooide die naar binnen, het midden van het deeg. Dat deed ik enkele keer. De bedoeling is om een soort bol te krijgen met een huid die voldoende onder spanning staat. Let op dat je niet te ver gaat tot het deeg scheurt! De kant met de “naden” die je nu hebt is eigenlijk de onderkant van het brood. Dit proces was ook weer een sticky bedoening: het hielp om mijn handen eerst met wat bloem in te wrijven. Ook hier: niet kneden! Anders maak je de structuur kapot en krijg je een plat brood.

Het deeg van mijn aanrecht plukken was wat gehannes. Gelukkig had ik ook geïnvesteerd in een deegschraper. Met een beetje geduld en voorzichtigheid lukte dat wel. Je zal merken dat het deeg op dit punt wel plakt, maar ook voldoende consistent is dat het mooi bijeen blijft als je het los pulkt. Daarna legde ik het deeg in het rijsmandje, kant met de naden naar boven. Het rijsmandje bedekte ik met een andere handdoek.

Bekijk zeker de filmpjes hierboven om een idee te hebben van de technieken die de pro’s hanteren.

Het deeg kon nu een tweede keer rijzen. Dit is de proofing van het deeg. Dat was een proces dat ik nog eens een dikke 3 tot 4 uur heb gegeven. Eigenlijk laat je het deeg nogmaals rusten en geef je de fermentatie andermaal een kans om een cyclus door te maken. Ik had sowieso het plan om ’s avonds te bakken, maar je kan dit proces ook sterk vertragen door je deeg in de koelkast te bewaren om het dan de dag erna, ’s morgens, te bakken. De experts op YouTube gaven de tip om het deeg in een plastiek zak te steken. Waarom was me niet helemaal duidelijk, en dus heb ik dat ook niet gedaan.

Eindelijk was het moment daar om te bakken. Ik heb een Lodge Iron Cast Combo Cooker aangeschaft zodanig dat ik brood als een Dutch Oven kan bakken. Een Creuset of een Emile Henry zijn uiteraard ook geschikt. Waarom een dutch oven in plaats van gewoon op een bakplaat? Omdat een afgesloten pan het vocht uit het deeg omzet in stoom wat goed is voor de ontwikkeling van het brood en de korst. Dit vond ik een bijzonder spannend moment omdat ik hier met een zeer hete, zeer zware pan moest werken.

Ik verwarmde de oven, met de Logde afgedekt en ingeladen, voor op 250 graden, boven- en onderwarmte (geen hete lucht of zo) gedurende 25 minuten. De lodge stond niet op een grill, maar op de bakplaat: dat was een tip van Pro Home Cooks. Zo vermijd je dat de onderkant van het brood aanbakt.

Na 25 minuten haalde ik de Lodge uit de oven (opletten voor de vingers! Dit is enkele kilo heet ijzer!). Ik haalde de handdoek van het rijsmandje en legde bakpapier over het deeg. Dan draaide ik het mandje voorzichtig om zodat het deeg op het papier terecht komt. Vervolgens was het kwestie om voorzichtig de handdoek van de bovenkant van het deeg te halen. Tenslotte nam ik de vier hoeken van het papier vast en plaatste ik het geheel in de Lodge. Met een schaar knipte ik het overtollige papier weg.

Tenslotte is er de scoring van het brood. De bedoeling is dat je een of meerdere insneden maakt zodat je brood mooi kan uitzetten, en je het typische crusty “oor” krijgt op een zuurdesembrood. Ik maakte gebruik van een scherp fileermes, maar eerlijk gezegd is een scheermesje echt wel het handigste om een proper insnede te maken. Zodra ik dat gedaan had ging het deksel op de pot, en het geheel terug in de oven.

Ik bakte het brood gedurende 20 minuten op 250 graden. Dit is het spannende deel want nadien mag het deksel van de pan. Dat was het moment suprême: Mijn brood was mooi gerezen in de pan door de warmte en had ook een mooi beginnende korst: de oven spring. Succes! Ik liet mijn brood nog eens 20 minuten bakken bij 230 graden zonder deksel. Het brood ontwikkelde een mooie, diepbruine korst. Dat was een proces dat ik van minuut tot minuut kon volgen. Na 20 minuten maakte het brood een mooie en afgewerkte indruk. Ik zette de oven uit en ik liet het brood nog eens 20 minuten in de oven afkoelen met de ovendeur op een kier: dat proces zorgt ervoor dat de korst verder kon ontwikkelen.

De temperaturen heb ik wat met de natte vinger bepaald. Sommigen zeggen dat je moet bakken op 230 graden, anderen op 260 of zelfs 270 graden. Ik koos voor een gulden middenweg. Ook naar baktijden heb ik een beetje een gulden middenweg genomen tussen alle verschillende baktijden die ik ben tegen gekomen.

Na een uur kon het brood uit de oven gehaald worden. Ik heb het nog eens een dikke 2 uur laten afkoelen en rusten vooraleer we het durfden aan te snijden en te proeven met een stukje zoute boter. Heerlijk! Precies zoals het hoort te smaken! Het was bovendien een brood met een mooie luchtige structuur door de uitgezette gassen die het resultaat waren van het lange fermentatieproces.

Wat heb ik geleerd?

  • Zuurdesem is een beetje een teamactiviteit: je werkt samen met de micro-organismen die het deeg fermenteren. Als bakker ben je verantwoordelijk om de juiste omstandigheden te scheppen zodat het deeg zich kan ontwikkelen. Je controleert het resultaat dus eerder indirect.
  • Er komt wat techniek bij kijken, maar niets dat wat ik als “voor gevorderden” zou omschrijven. Het deeg mag dan bij momenten plakkerig en lastig handelbaar lijken, het is vooral een kwestie van vertrouwen om door te zetten.
  • Dit vraagt wat toewijding. Niet dat ik elk uur hiermee bezig was, maar de starter en het deeg zijn levende culturen die je aandacht en tijd vragen. Voor mij was het ook een proces van leren observeren: wat gebeurt er in de starter? Hoe ruikt het geheel? Wat gebeurt er als ik lauw eerder dan koud water gebruik? Wat gebeurt er in de koelkast? Hoe ziet het deeg er nu uit? Hoe voelt het deeg aan qua consistentie?
  • Het proces valt uiteen in best wel een aantal stappen over verschillende dagen. Een zuurdesem maak je niet op een verloren zondagmiddag.
  • Je hebt wat specifiek keukengerei nodig, maar dat hoeft ook geen honderden euro’s te kosten. Zo kocht ik de Lodge voor een fractie van de prijs van een Le Creuset. Ook het rijsmandje en een deegschraper vind je makkelijk online terug.
  • Mijn starter steekt nu in de koelkast. Zo hoef ik die slechts eens om de week te verzorgen. Een goed ontwikkelde starter is het halve werk, dus ik kan volgend weekend al vrij snel een volgend brood maken.

Dit is voor mij zeker en vast voor herhaling vatbaar. Benieuwd of ik dit resultaat andermaal kan evenaren.