Ik hackte (met wat hulp) een RetroNES console bij elkaar.
2014 was een jaar waarin ik leerde dat uw gezondheid en conditie uw grootste
rijkdom zijn. De persoonlijke calvarietocht met de schouder daar gelaten, wens
ik iedereen na het afgelopen jaar meer dan ooit een gezond – of toch een
met beterschap gevuld – nieuw jaar toe. Verzorg uzelf!
2014 was bij momenten ook een jaar van stille woede of verontwaardiging.
Eerlijk gezegd waren er dagen dat ik echt geen zin had in de confrontatie
met de lawine van onheils- en andere tijdingen op sociale en traditionele media.
Een oude Chinese vloek zegt “Moge je in interessante tijden leven.”
Juist.
Of ik voornemens en doelstellingen heb voor 2015? Buiten de klassiekers zoals
meer bloggen, lezen of voor inbox zero gaan: niets bijzonders. Er liggen wel een
aantal grote uitdagingen op mij te wachten. Niet in het
minst hoop ik mijn lijf enigszins terug op orde te krijgen. Andere
uitdagingen komen later nog aan bod. Het belooft in ieder
geval een spannend jaar te worden.
Sinds begin september trekken we hier ten huize meermaals naar de fitness.
De ene om van crosstraining te doen in het kader van een terugkeer naar de
klimzaal, de ander om gewoon wat extra beweging te hebben. Nooit gedacht
dat ik ooit nog op stoere fitness toestellen zou zitten. Mij leek het iets
van een andere wereld. Aangezien ik tegenwoordig tussen collega’s
zit die niet aan kijken tegen een kilootje meer op de barbell, lag de lat om
mezelf ook aan een regelmatige work-out te wagen, een stuk lager.
We hebben ondertussen allebei een abonnement in de zaal hier om de hoek. Lekker
dichtbij motiveert nog zoveel meer om even de gym te hitten. Gedurende een
klein uur-en-half doe ik een tiental oefeningen om het bovenlijf aan te sterken.
Ja, er wordt daarbij wat af gezweet. En soms is het met wat bekkengetrek
als er de zwaartekracht weer eens wordt getrotseerd. Maar leuk en uitdagend
is het zeker.
Denk nu vooral niet dat ik allerlei schema’s volg, calorieën tel en
gebalanceerde proteïneshakes drink. Ik heb niet de ambitie om opeens de
kleerkast van een gorilla aan te kweken. Wel is het de bedoeling dat mijn lijf
en leden geprikkeld te houden. Uiteindelijk zit ik – gelijk zovelen
– gemakkelijk het grootste deel van de dag gewoon achter een
(computer)scherm. Mens sana in corpore sano en al. Tegenwoordig fiets ik zelfs
dagelijks heen/terug naar het station van Brugge, wat mij nog eens een kleine
extra 14 kilometers op de pedalen oplevert. Qua cardio is dat ook al een fijn
begin.
So I was nominated for the ALS Ice Bucket Challenge.
In this age, it’s important to keep an altruistic stance towards
others. From what I have gathered, the Challenge sparked an increase in
donations well over $ 100 million world wide towards the goal of
funding ALS research. With that, we can call the Challenge an explicit success
in activating a large group in contributing towards a specific goal.
However, I can’t be blind towards some of the criticisms that have been
raised against the Challenge. Despite it’s success, the Challenge is not
necessarily the most effective display of altruism.
Over these past few weeks, I’ve seen countless videos of close and distant
friends, strangers, even the odd co-worker. In a lot of those films, the
original message is omitted or often just implied. Pouring ice water over
yourself and calling out to others is only part of the Challenge. In fact, the
ice water should just be the trigger that prompts you to take action
towards the goal. Explicitly stating why you would do this and calling upon
others to make a donation is equally as important. Without it, the act loses a
lot of it’s value and even runs the risk of appearing more or
less self congratulatory.
ALS really affects patients and their loved ones. It’s a horrible disease
which wreaks havoc in young people’s lives. However, ALS research is only
one of many important endeavours towards making our lives better for ourselves
and our children. Therefore, I feel that by participating in this
challenge, we shouldn’t limit ourselves to a single goal. If
anything, we should take the opportunity to grasp the attention of the many and
raise collective awareness not only for ALS research, but also for the countless
of – even more pressuring – causes out there.
Having said that, I still want to appeal to the original message of the
Challenge and actively contribute towards a cause.
Personally, I feel very strongly about human rights and in particular:
freedom of speech, privacy and free access to knowledge. While modern
technology has made it appear that these rights are becoming an integral
part of our DNA, the truth is that even today, fierce battles are still
waged over these rights. We should not assume that these are rights are
commonplace, let alone should be taken for granted in our western world.
The reality is that we have increasingly become dependent on modern technology
to connect with others, share information, publish our thoughts and our
concerns. Never before has it been so easy to make one’s voice heard and
gather such large audiences. Large for-profit organisations
who’ve been in control of these channels, feel increasingly threatened by
this evolution. As commercial interests come under pressure, they are waging a
complicated yet subtle war against those rights on battlegrounds known as, but
not exclusively, SOPA, Net Neutrality and data retention.
Those who did not have a voice in the past, such as independent artists,
authors, civil journalists and others, are now in danger of losing that voice
again.
That’s why I’ve decided to make a donation to these two
non-profit organisations: Electronic Frontier Foundation, which
defends our rights in a digital world, and Amnesty International, which
fights for human rights in our ‘real’ world.
As proof, I’ve added screenshots of both donations below.
I am not inclined to nominate anyone at this point, but whoever reads this
blogpost, please feel free to choose a cause that you feel strong about –
ALS research, cancer research, human rights activism, a local
organisation,… – and make a donation. Or write a blogpost. Or
volunteer. Or reach out in anyway possible that might foster that cause.
Alle verwoede pogingen van kinesist Bart ten spijt, bleef ik maar last hebben
van een nukkige schouder. Af en toe zeurende pijn bij het opstaan. Het gevoel
het samenspel der spieren niet soepel loopt. Op en af stoppen, weken rusten,
opnieuw proberen klimmen, weer merken dat er iets niet pluis is.
Een tijdje terug mocht ik, na een bezoek bij de huisarts, langs de dienst
radiologie lopen. Een echografie bracht geen goed nieuws. Ik sukkel nog altijd
met ontstoken slijmbeurzen en daarboven zit er een scheur in de
rotator cuff pezen. Een ontstekig kan je met veel rust en oefening wel
wegwerken. Een scheur niet. Pezen genezen immers niet uit zichzelf.
Wat ik heb is een typische, gevreesde klimmersblessure. Zoiets krijg je door
overbelasting. De ene is er gevoeliger voor de andere. Leeftijd,
levensstijl,… het speelt allemaal mee. Ik denk dat ik mijn blessure bij
mijn korte passage in Gent heb opgelopen en daarna nooit helemaal is geheeld.
Bovendien ben ik van zekeringtoestel gewisseld. Vroeger gebruikte ik een
grigri, tegenwoordig een reverso. Die laatste vraagt meer kracht bij
het zekeren. Zo’n verval gebeurt sluipend. Ik voelde niet dat er iets
ernstig mis was, dus ik bleef doorgaan.
Op het internet lees je dat heel wat klimmers zich moeten laten opereren en
maanden revalideren om terug te kunnen klimmen. De meesten keren terug.
Maar je moet er wel wat voor over hebben. Momenteel ben ik, buiten af en toe wat
zeurende pijn, niet gehandicapt in mijn dagdagelijks leven. Ik mag alleen geen
zware lasten dragen. Denk meubels of pakken bloempotaarde. Het is dat ik niet
weet wat de gevolgen op lange termijn zijn. En ik ga mezelf moeten afvragen of
ik terug wil kunnen klimmen.
Over een paar weken mag ik op bezoek bij een schouderspecialist. Ik ben benieuwd
wat die mij gaat vertellen.
Maandagmorgen werd ik terug gewekt tot de harde realiteit van de Werkmens.
Gedaan met lang uitslapen. Terug op tijd er uit en mee op de cadans van het
openbaar vervoer, de Google Calendar en de timesheets. Het doet pijn om de
vrijheid terug te moeten inleveren, en toch ben ik ook wel blij terug aan de
slag te kunnen. Er ligt genoeg op de plank om het jaar goed mee in te zetten.
Tegelijk vind ik zo’n vakantie enorm noodzakelijk. Tussen de laatste
aaneengesloten 2 weken vrij zijn en deze zaten 4 maanden. De volgende langere
time off zal pas voor de zomervakantie zijn. Niet geheel toevallig publiceerden
de mensen van 37 Signals vandaag Healthy Benefits for the Long Haul. Lees
maar even wat ze allemaal naast het loonzakje krijgen qua vakantietijd.
Bovendien wordt elke werknemer om de 3 jaar een maand op sabbatical gestuurd.
Ongezien. En zeker ongehoord in de Verenigde Staten. Het hoger management
heeft dan ook duidelijk begrepen waar de klepel hangt.
Instead we focus on benefits that get people out of the office as
much as possible. 37signals is in it for the long term, and we designed our
benefits system to reflect that. One of the absolute keys to going the
distance, and not burning out in the process, is going at a sustainable pace.
In België mogen we niet klagen over vakantie. Door de band genomen zijn er
genoeg modaliteiten: voor elk wat wils. En als ik de koppen mag geloven is een
burn-out of een depressie dé hedendaagse gesel van het werkvolk.
Hoe kan dat?
Werkgevers beweren dat werknemers teveel hooi op hun vork nemen. Werknemers
klagen van stress op het werk en alles wat daarbij hoort. Eerlijk gezegd geloof
ik dat alleman en niemand gelijk heeft. Dat er niet één aha-oorzaak is. De
wereld bestaat gewoon uit heel veel we-moeten-x-of-y. Het is maar hoe we
ermee omgaan. We zijn geen supermensen die alles tegelijk kunnen. We worden al
eens geconfronteerd met tegenslagen. En het idee dat we het leven kunnen
plannen, dat heb ik ook al lang laten varen. Neemt niet weg dat we slim kunnen
omgaan met onze tijd. Austin Kleon schreef voor het nieuwe jaar een
fantastisch artikel getiteld Something small, every day. En daarin schrijft
hij:
Don’t say you don’t have enough time. We’re all busy, but we all get 24 hours
a day. People often ask me, “How do you find the time for the work?” And I
answer, “I look for it.” You find time the same place you find spare change:
in the nooks and crannies. You find it in the cracks between the big
stuff—your commute, your lunch break, the few hours after your kids go to bed.
You might have to miss an episode of your favorite TV show, you might have to
miss an hour of sleep, but you can find the time to work if you look for it.
Wat hij eigenlijk wil zeggen: wees gewoon slim met de tijd die je toebedeeld
krijgt. Er zal ongetwijfeld, tot ieders frustratie, tijd verloren gaan, maar als
je goed zoekt, vind je elke dag wel een gaatje waarin je jezelf kan ontplooien.
Neemt niet weg dat vakantie noodzakelijk is.
Omdat we juist dan even de tijd hebben om afstand te nemen van alle
“moetens” in ons leven zodat we nadien met een frisse blik kunnen
terug keren.
Hoe het tegenwoordig gaat met lijf en leden? Breek me de bek niet open! De
laatste weken ben ik een beetje op de sukkel geraakt.
Begin oktober heb ik het klimmen weer moeten laten voor wat het is. De
ontsteking in mijn rechterschouder stak zijn lelijke kop terug op. Na twee weken
pijn heb ik het tijdens een doktersbezoek op tafel gegooid. Ik kreeg rust, veel
ijs en ontstekingsremmers voorgeschreven. En een kine-kuur. Wegens praktischer
ben ik te rade gegaan bij de kinesist op het einde van de straat. Voorlopig
houdt hij het op duwen, trekken en sleuren op de schouder om de boel los te
krijgen en het genezingsproces te activeren. Zijn verdict: zolang ik klim zal ik
daarnaast nog extra oefeningen moeten doen met gewichten. Het is niet de
bedoeling om een spierbundel te worden, wel om mijn schouderspieren aan te
scherpen. Anders zal ik altijd blijven sukkelen met ontstekingen. Urgl.
Zo goed als ik wat gerecupereerd geraakte van de verkoudheid, werd ik, en een
pak collega’s, geveld door een bijzonder gemeen buikvirus. Ik heb twee
dagen rillend in de zetel doorgebracht terwijl ik overleefde op thee en
cracotten. Gelukkig verdween het beestje even snel als het zich in mijn maag had
genesteld.
Door al dat geziek heb ik sinds half oktober geen 100 meter meer gelopen in mijn
looptenue. Ik hoop binnenkort terug de loopschoenen te kunnen aanbinden en
rustig aan opnieuw van start te gaan.
De kop is er af. De eerste kilometers heb ik in de benen. Deze week heb ik voor
het eerst gelopen sinds de collegejaren. Anderhalf decennium terug was dat
wekelijkse prik: lopen rond het voetbalveld, coopertests, duurlopen,… Het
ging me toen allemaal vrij goed af. Toen ik de schoolpoort achter mij liet,
gingen de versleten adiddas lopertjes aan de haak.
Tot deze week.
Sinds ik Born to Run uit heb, is het terug beginnen kriebelen. Zomaar
sportschoenen aantrekken en löss gaan leek me geen zo’n strak plan. Ik heb
in de laatste jaren per slot van rekening, buiten de klimavonturen en de
fietsafstanden, vooral heel veel op een bureaustoel gezeten.
De Decathlon was ideaal om goedkoop wat trainingskleren te scoren, maar de
sportschoenen, die heb ik gekocht in een
gespecialiseerd Running Center. Ik werd er op de loopband gezet
terwijl er een camera op mijn hielen was gericht. Mijn rechtervoet komt
correct neer, maar mijn linkeronderbeen knikt licht naar buiten. Met wat goeie
raad van de specialist stapte ik met een paar aangepaste Izumi’s buiten.
Een kleine investering, maar wel eentje waarmee ik heel wat ellende hoop uit te
sparen in de nabije toekomst.
Om de motivatie er in te houden heb ik mij Zombies, Run! aangeschaft.
De premise: je bent terecht gekomen in een post-apocalyptische wereld waar
zombies de dienst uit maken. Als ‘Runner Five’ moet je missies
oplossen voor een kleine gemeenschap die zich terug getrokken heeft in één van
de laatste menselijke bastions. Je moet de veilige muren van de basis ruilen
voor de gevaarlijke buitenwereld waar je lopend zombies moet zien te ontwijken
om voorraden te verzamelen. Tijdens je oefensessie krijg je via je oortjes
instructies. Elke missie brengt je iets verder in de verhaallijn. Clever, want
je wil weten wat er verder gebeurt en dus ga je verder mee in het verdoken
trainingsschema.
En dan staat een mens op een donkere oktoberavond aan de voordeur in zijn
nagenieuwe jogging en hagelwitte lopertjes. En zet de dwingende stem van een
radio-operator je aan om in een jog tempo van start te gaan.
Het eerste doel is mijn lichaam langzaam te laten wennen aan het lopen. Dit is
niet hetzelfde als klimmen of fietsen. Lopen moet je blijkbaar leren.
Voorzichtig opbouwen is de mantra.
Dus liep ik begin deze week voor het eerst. Ik koos voor een tempo dat mij goed
lag. Ik voelde hoe mijn t-shirt zich vol zoog met zweet terwijl ik focuste op
mijn ademhaling. Een goede 30 minuten later had ik de eerste 5 kilometer achter
de rug. *slik* Is dat niet waar al die Start To Run fans naar toe
werken? Was dat te veel? Heb ik te snel gelopen? Of ben ik gewoon in betere
conditie dan ik zelf vermoedde?
De volgende twee dagen deden mijn benen pijn. Ouch! Tegen dag drie trok de pijn
weg. Goed. Spierpijn dus. Voldoende rust nemen tussendoor is het ordewoord. Het
weer zat de laatste dagen tegen, dus dat kwam mij even mooi uit.
Gisteren was het kalm en fris. Ideaal om opnieuw te lopen. Weer dezelfde afstand
en ietsje meer. Nu gaat het een stuk beter. Ik probeer opnieuw toe zoeken naar
het juiste tempo en de juiste loopwijze. Bovenal: ik probeer te luisteren naar
mijn lichaam. Beginnen de kuiten ongemakkelijk aan te voelen? Kies dan voor een
wandeltempo. Voel ik mijn hart hard bonzen? Schakel een versnelling lager.
De spierpijn steekt vandaag minder hard door. Opnieuw laat ik er een paar dagen
tussen om te recupereren. Oostkamp is niet zo heel erg groot, maar best wel
een mooie speelterrein om zombies te ontlopen.
Vergeleken bij de strapatsen van Adrian Carton de Wiart is Chuck Norris’
round house kick een gimmick voor mietjes.
Lieutenant-General Sir Adrian Paul Ghislain Carton de Wiart1 VC, KBE, CB,
CMG, DSO (5 May 1880 – 5 June 1963), was a British Army officer of Belgian and
Irish descent. He served in the Boer War, First World War, and Second World
War, was shot in the face, head, stomach, ankle, leg, hip and ear, survived a
plane crash, tunneled out of a POW camp, and bit off his own fingers when a
doctor wouldn’t amputate them. He later said “frankly I had
enjoyed the war.”
Hier komt het op neer: de jonge Amerikaanse entrepreneur Rob Rhinehart vond dat
hij te veel tijd verloor met het klaar maken van wat hij ‘crappy’
dagdagelijkse maaltijden noemde. In plaats daarvan ontwikkelde hij een soort
vloeibare substantie genaamd Soylent, waarin alle stofjes zitten die een mens
nodig heeft om van te kunnen leven. Die substantie kan heel efficiënt worden
geproduceerd. Zo spaart Rob geweldig veel tijd uit die hij in zijn eigen zaak
kan steken. In de bijzonder hoogcompetitieve start-up wereld waar elk uur telt
is die tijd letterlijk broodnodig. Rob heeft door dit soort
“biohacking” een voordeel op de concurrentie.
De bedoeling van de kickstarter is om de formule te commercialiseren. Niks dan
voordelen volgens het project: minder voedselverspilling, goedkoop,…
Dat roept meteen een aantal interessante vragen op.
Wil je wel je de smaak van je dagelijkse maaltijd inruilen voor een artificiële
pap?
Wil je echt het plezier van het dagelijkse koken laten vallen?
Wil je de daad van het eten reduceren tot een paar slokken?
Toen ik het verhaal las, vond ik er een paradox in terug. Wat is onze motivatie
om te werken? Ongeacht rang of stand: om in onze primaire behoeften te voorzien.
Een dak boven ons hoofd en eten op tafel. Werken staat daarom niet voor niets
synoniem met de uitdrukking “Je dagelijkse boterham verdienen”. Het
klinkt dus bizar dat je door biohacking één van de primaire redenen om te werken
wil uitschakelen, net omdat het je werk in de weg staat.
Sinds het ontstaan van landbouw een kleine 12.000 jaar geleden is de keuken in
zowat alle culturen en beschavingen alles waar het om draait. Ons leven draait
rond die 2 of 3 dagelijkse momenten waarbij we rond de tafel zitten en eten.
Eten, koken, voedsel klaarmaken is zo’n basale daad dat het in ons
cultureel DNA zit ingebakken. En de impact van eten op sociaal, economisch en
zelfs religieus vlak zijn niet te onderschatten. Niet voor niets breekt en deelt
Jezus het brood bij het Laatste Avondmaal.
Wat is de impact dan van zo’n vloeibaar sapje? Zou het een gamechanger of
een disrupter kunnen zijn?
Rob beweert dat hij niet de bedoeling heeft om het samen uit gaan eten wil
uitschakelen. Wel het monotone van de ongezonde “vlug-tussen-door”
maaltijden. Denk aan broodjes, pizza, noodles, frietjes,… Ook daar zie ik
een paradox.
De aard van onze maaltijden weerspiegelt de aard van onze samenleving. En
eerlijk gezegd: het ziet er niet goed uit. We leven een jachtig, Westers bestaan
tussen vergaderingen, smartphones, files, grootwarenhuizen,… Het koele
vooruitgangsdenken gaat er van uit dat alles beter, sneller en efficiënter kan.
We zijn werkende consumenten en we moeten mee in een ratrace waar het beste
product of de beste service het haalt. Net de snelle, ongezonde hap tussen door
vertelt ons iets: dat we reeds toegevingen hebben gedaan als het om een primaire
behoefte gaat, om toch maar mee te kunnen. Heel wat mensen zijn zich van die
toegeving bewust en hebben daar een grens getrokken. Geen wonder dat er
bewegingen zoals slow food ontstaan.
Het idee achter Soylent is net het tegenovergestelde van slow food: laten we nog
een stap verder gaan en het hele aspect van eten uitschakelen zodat we een
voetje voor hebben op anderen.
Dat brengt me meteen bij het storende effect van zo’n product. Stel dat,
en ik spreek louter hypothetisch, genoeg mensen hun dieet overschakelen op
zo’n substantie, dan zou het misschien kunnen dat ook de
‘normale’ eters gedwongen worden om mee te doen willen ze in de race
blijven. Stel je immers voor: bij een ontslagronde kom jij misschien eerder in
aanmerking voor de schopstoel omdat jij nog een broodje gaat halen terwijl je
directe collega het eten kan houden op een sapje en zo extra billable uren
haalt.
Klinkt Soylent als science fiction? Misschien wel. De menselijke aard maakt soms
vreemde bokkensprongen. Aan de ene kant kan je niet heen om 10.000 jaar
rituelen, culturen,… die ons van kindsbeen af worden aangeleerd.
Anderzijds heeft de laatste eeuw ons getoond dat we relatief gemakkelijk, op een
generatief of 3, oeroude gewoonten naar de prullenbak kunnen verwijzen.
Mocht het er ooit van komen en Soylent ligt hier naast de aardappeltjes in de
winkelrekken, ik denk niet dat ik er snel voor zal kiezen. Net omdat ik werk om
te kunnen leven. Niet andersom.
“Verdeel de rijbaan in twee gelijke delen. Zorg dat je rechterbeen bijna
op de helft zit.”, zei de instructeur. Ik probeer de auto goed op koers te
houden terwijl de betonnen blokken gevaarlijk dicht voorbij sjeesden. “Op
tijd remmen. Niet op de koppeling duwen! Vertragen op de motor!”. Op
semi-automatische piloot doe ik mijn best om de stroom van informatie te
verwerken terwijl ik in de verte de haaientanden zie opdoemen. Here goes
nothing. Ik probeer in te schatten wanneer ik op de rem mag staan. Ik voel hoe
de rijinstructeur met de hulppedalen bijstuurde. De auto bolt bijna tot
stilstand. Ik laat de koppeling voorzichtig slippen maar op dat moment
verschijnt een monovolume van achter het heuveltje. Stoppen of doorrijden? Help!
Even lijk ik alles te vergeten te zijn. Ik ga op de rem staan. Ai! Had ik niet
mogen doen want al snel bleek de tegenligger een andere rijrichting in te slaan.
“Niet erg, maar je had wel moeten door rijden. Je achterligger had er
misschien niet op gerekend dat je op de rem zou staan.”, vermaant de
instructeur. Ik laat de koppeling terug komen… en dan slaat de motor af.
Ik vloek even binnensmonds. Vergeten terug te schakelen naar eerste. Niet
panikeren. De instructeur noteert iets terwijl ik de wagen terug start. Ik kijk
expliciet in alle spiegels, links en rechts. Geen verkeer? Geen fietsers? Geen
voetgangers? Voorzichtig tuf ik de rotonde op. Pinkers aan, nog eens over mijn
schouder kijken en dan kort afdraaien. Dat lukt niet helemaal. De instructeur
trekt even aan mijn stuur. Ik beland net niet in het rijvak van de tegenliggers.
Ik blaas even uit terwijl ik voorzichtig de zone 30 in rijdt. Oef. Even trager.
Dat geeft me meer tijd om te leren anticiperen, mij omgeving te scannen en greep
te krijgen op het gedrag van het gevaarte dat ik bestuur.
Vier uur rijles heb ik achter de rug. Nog zestien te gaan…