Netsensei

Much Ado About Nothing

Reizen en Recreatie

Onyx Boulder climbing gym

Sinds een maand of twee is er in Brugge een nieuwe klimzaal geopend: Onyx Boulder. En niet eens zo heel ver van mijn voordeur. Met de fiets ben ik er op vijf minuten tijd. Ideaal! Ondertussen ben ik twee keer gepasseerd.

Eerlijk gezegd zijn er enkele jaren gepasseerd sinds ik laatst mijn klimschoenen aantrok. De eerste keer hield ik het geen uur vol, voor mijn armspieren in staking gingen. Maar plezierig was het wel. De routes zijn heel inventief gemaakt, er is voldoende variatie in moeilijkheidsgraad, en er is voor elk wat wils. En er is ook een grote kilter board.

Toen ik een tweede keer ging, hadden ze een paar oude zetels op de kop getikt en die naast de dikke valmatten gedropt. Je kan dus even een luie zetel uitblazen en kijken naar hoe anderen de muur proberen te veroveren.

Ze hebben er ook een fijne bar, met keuken. Ik heb meteen hun pasta geproefd, en die smaakte alvast naar meer. Ideaal om er ’s avonds na het klimmen nog iets te eten. De uitbaters willen er meer van maken dan klimmen alleen met activiteiten allerhande zoals film avonden.

Boulderen is wel ideaal om het hoofd even leeg te maken, maar ik ben er ook geen 23, laat staan 33, meer. Ik ben mij hard bewust van alle mogelijke manieren waarop ik blessures kan oplopen. Ik ben ook duidelijk niet de jongste die er rond loopt. Maar als het lukt om regelmatig te gaan, dan kan ik wel iets moois voor mezelf opbouwen. En daar kijk ik wel naar uit.

Uitstel maar geen afstel

Ik zou morgen richting Saint-Jean-Pied-de-Port sporen, maar ik heb mijn plannen gewijzigd en dit jaar wandel ik geen Camino.

Waarom? Mijn voorbereiding kwam niet bepaald van de grond. Drie weken geleden moest ik vaststellen dat ik niet met hetzelfde enthousiasme naar de trip toeleefde als de voorbije jaren. Ik voelde vooral zelf opgelegde druk, en da’s niet de juiste insteek om bijna 300km doorheen een land te trekken.

Ondertussen geniet ik nu van twee weken rust tijdens deze paasvakantie.

Camino Frances in 2025

De Camino de Santiago spreekt me al vele jaren aan. In 2022 wandelde ik de laatste 110 kilometer tussen Sarria in Santiago, en in 2023 kruiste ik vanaf Porto gedurende 11 dagen doorheen Portugal en Galicië. Dit jaar koos ik er bewust voor om de wandelschoenen te laten rusten. Nu kriebelt het genoeg om ze in 2025 terug aan te trekken, en dus ben ik volop aan het plannen.

Hoe begin je aan een Camino? Een pelgrimage is immers een stevige meerdaagse wandelreis over een lange afstand waarbij je uit je rugzak leeft.

De eerste drie vragen die ik mezelf stel: Hoeveel tijd wil en kan ik nemen? Welk stuk wil ik stappen? En is het doel om in Santiago aan te komen?

De eerste vraag is vrij eenvoudig. De beste periode om dit te doen zijn de twee weken na de paasvakantie. Ik heb dus een venster van 19 april tot en met 4 mei. Ik moet twee reisdagen heen en terug rekenen tussen thuis en de Camino. Dus dat geeft me maximaal 14 wandeldagen.

De tweede en derde vragen zijn iets moeilijker. Er zijn tal van pelgrimsroutes die naar Santiago leiden. Lang overwoog ik de Camino Primitivo uit Oviedo, maar het is wel de zwaarste route. Ze loopt immers doorheen de bergen. Nu hoef ik niet per se in Santiago aan te komen. Dat deed ik immers al twee keer eerder. Dat gaf me ruimte om over alternatieven na te denken.

Uiteindelijk heb ik gekozen voor de Camino de Frances. Die route loopt een kleine 800 kilometer vanaf de Franse zijde van de Pyreneëen tot in Santiago. Het idee is om de route op te delen in 3 reizen. In 2025 neem ik de route tussen Saint-Jean-Pied-de-Port en Burgos. Goed voor een kleine 280 kilometer. Later kan ik dan van Burgos naar Léon wandelen en dan van daar uit naar Santiago.

Is dat wel haalbare kaart?

Gelukkig hoef ik geen diepgaande studies uit te voeren met kompas en kaart. Over de Camino Frances bestaat er veel literatuur. Tal van reisgidsen beschrijven de etappes, populaire stopplaatsen, highlights en zo meer. Ik leg de puzzel op basis van Stingy Nomads en Gronze.com. In een Google Spreadsheet leg ik de verschillende etappes naast elkaar, en bepaal ik hoe de etappes er uit zouden kunnen zien.

Camino planning in Google Spreadsheet
Camino planning in Google Spreadsheet

De Camino is een oude pelgrimsroute die in de laatste jaren enorm populair is geworden. Er is dus ook flink geïnvesteerd in infrastructuur en accomodaties voor pelgrims. Op de stopplaatsen in de spreadsheet vind je dan ook slaapplaatsen, restaurants, winkels,…

Onderweg hou ik niet noodzakelijk vast aan die planning. Afhankelijk van de omstandigheden kan ik kiezen om verder te stappen, of sneller te stoppen. Als het echt moet kan ik ook altijd een etappe overslaan door een bus of taxi te nemen om zo een rustdag in te lassen.

En hoe nu verder?

In de komende dagen en weken leg ik lijstjes aan met de contactgegevens van herbergen, hostels, pensions,… waar ik zou willen overnachten. Hoewel het bon ton is op de Camino om slechts enkele dagen op voorhand, of zelfs de dag zelf, te bepalen waar je terecht komt, heb ik graag op voorhand al een goed idee waar ik wil slapen. In sommige plaatsen, zoals Saint-Jean, Roncevalles en Zubiri, reserveer ik ruim op voorhand al een bed, omdat de capaciteit op die plaatsen eerder beperkt is.

Ook de heen- en terugreis is iets om in de komende weken te vast te leggen. Ik zou in een dag per trein kunnen reizen naar Saint Jean, en op het einde van de reis per vliegtuig vanuit Madrid terug naar huis te keren.

In de komende weken en maanden ga ik me ook fysiek voorbereiden. Door te wandelen, en door de fitness te bezoeken. Je hoeft niet sportief aangelegd te zijn om de Camino aan te vatten, maar een goede voorbereiding maakt de wandeling een stuk lichter en aangenamer.

Ondertussen vergaap ik mij aan de vlogs van Efrén Gonzalez op YouTube.

Mijn camino, tien indrukken

Ik heb gewandeld van Porto tot Santiago de Compostela. 12 dagen. 280 kilometer. Het drong pas door wat dat betekent toen de oudere baliemedewerker in de Oficina del Peregrino in Santiago expliciet zei dat mijn camino eindigde met de stempel die hij op mijn crédencial zette, om me daarna zachtmoedig te feliciteren.

Ook al waren we nog geen 24 uur in Porto, ik ben helemaal weg van de oude binnenstad. Dat leeft, dat bruist. Indrukwekkende muurschilderingen, kleine straatjes, buskers en fadó. De Douro die traag en majestueus naar de Atlantische Oceaan voert. De Ponte Dom Luis I die de rivier overspant. De geur van de heerlijke Portugese keuken die uit ontelbare kleine restaurantjes op je af komt.

Het gelovige kantje in mij vermoedt dat toen God de wereld schiep, hij Portugal als moestuin in gedachten had. We wandelden dagen doorheen een lappendeken van kleine akkers, wijngaarden, boerenwegels, kleine dorpjes, oude landerijen en glooiende heuvels.

Portugal, dat is ook afzien. Bij dageraad verlieten we de herberg om de hitte voor te zijn, ook al lukte dat niet altijd. De lange klim uit Barcélos naar Tamél ga ik niet snel vergeten. Of de beklimming van de Portela Grande op weg naar Rubiāes. De oude stenen van de Via Romana XIX waren moordend voor onze voeten en lijven.

Aankomen in Valença en de Portugees-Spaanse grens oversteken was bitterzoet. Het markeerde duidelijk het halfweg punt van de weg. De Spaanse Camino is ook anders dan de Portugese. Niet zozeer slechter of beter, gewoon anders. Het was even wennen aan andere gewoontes, een andere volksaard, een andere keuken, een ander land.

Mijn Instagram staat vol met mooie plaatjes. Maar de Camino loopt ook langs drukke autowegen, en lelijke industrie. We zagen af en toe spandoeken van lokale gemeenschappen die ook de pelgrims wanhopig aanspoorden om te protesteren tegen de uitbreiding van meer dan één industriegebied. Overal kwamen we grafitti tegen. Nakor Shey, wie je ook bent, je hoefde je tag niet letterlijk elke 200 meter te plaatsen over honderden kilometers.

Onderweg eet je alles. Talloze desayuno’s met cruessant, café con lecche, zumo de naranja. Van de overheerlijke risotto in Barcélos in Babbette’s tot de schaamtelijke tomatensalade in de albergue in Crucés (letterlijk in olijfolie verdronken schijfjes tomaat). De talloze porties rijst met lamsstoofvlees. En in Santiago het fantastische Entre Pedras, één van de weinige maar o zo overheerlijke vegetarische restaurants, waar we onze Camino afsloten.

Hoe eenvoudig het leven hoeft te zijn onderweg. Je leeft letterlijk uit je rugzak en de kleren aan je lijf. Wandelen, eten, slapen, reflecteren. Verwonderen, genieten, stil worden, bewust zijn van je omgeving, en zoveel meer. Leven in het hier en nu, quoi, van dag tot dag. Niet wetende wat morgen precies gaat brengen, en dat ook niet zo erg hoeven te vinden.

Op zoek naar Santiago, Sint-Jacob, Saint James, Saint Jacques. In het Duits zeggen ze “der Weg ist das Ziel” en dat klopt helemaal. De gele pijlen leiden je naar zijn graf onder het altaar van kathedraal in Santiago, maar onderweg loopt Santiago met je mee. You’ve heard the stories, you’ve seen the pictures. En dan kom je aan op de Praza de Obradoiro, en dan woon je de mis voor de pelgrim bij. Het is bijna niet uit te leggen wat dat met een mens doet.

Maar de Camino, dat zijn nog het meest van al de mensen en de verhalen die we twaalf dagen lang hebben ontmoet. De intense vriendschappen die we hebben gesloten, en de hoogtes en de laagtes die we samen met anderen deelden. Van onze kleine Camino family met de Duitse Johanna, de geschiedenis studerende neef van de hospitalera in Rubiāes, de Californische surfer hospitalero in San Pedro de Ratés, de Canadese student Daunte in Porto, vriendinnen Simone en Rita die van Mei maand “Me maand” hebben gemaakt, het stokoude dametje in Caldas des Reis die me in het Spaans uitlegde wat de betekenis achter de Sint Jakobsschelp is, het oude Japanse koppel dat moedig dagenlang ons op de hielen zat,… Allen maakten ze een onuitwisbare indruk.

Maar vooral, dankbaarheid voor het leven, voor wat het uiteindelijk maar is in al zijn essentie. Dat is de Camino.

Ga ik dit opnieuw doen? Zeker weten. Wanneer? Geen idee. Eerst nog even nagenieten van dit avontuur.

Camino prelude

Nog 5 nachten slapen en dan vertrekken Bram en ik naar Porto. Ik trek andermaal de wandelschoenen aan om de Camino Portuguese af te stappen. 12 dagen, 12 etappes en 260 kilometer liggen tussen ons en Santiago de Compostela. Het is hopen op goed weer, geriefelijke herbergen en dat we gespaard blijven van lichamelijke ongemakken.

Hoe begin je eigenlijk aan een Camino?

De Camino is een netwerk van wandelroutes doorheen Europa die allemaal eindigen in Santiago. Die routes zijn publiek goed. Iedereen kan zijn gebruiken. Lokale overheden, verenigingen en vrijwilligers onderhouden de paden. Het principe is eenvoudig. Je kiest een startpunt en van daar wandel je naar Santiago.De Camino is eeuwenoud, en tot op vandaag zijn er pelgrims die thuis starten en maanden later arriveren op de Plaza Obraidoro. Tegenwoordig starten de meeste pelgrims in Frankrijk, Spanje of Portugal. De Franse route - de Camino Francés - is de meest populaire. Die start in Saint Jean de Port, gelegen in de Franse Pyreneeën.

Ook vandaag heb je als pelgrim een geloofsbrief bij: de Crédencial, of het pelgrimspaspoort. Dat document bewijst dat je pelgrim bent, en heb je nodig wil je kunnen overnachten in de albergues, refuges en hostels op de route. De crédencial laat je ook op elke stopplaats stempelen. In Santiago kan je in de Oficina del Peregrino de Compostela verkrijgen op vertoon van je afgestempelde credéncial.

Natuurlijk moet je wat moeite doen. Zo dien je minstens 100 kilometer te hebben gewandeld, en hoor je je tocht enigszins “in devotionis affectu, voti vel pietatis causa” aan te vangen. Ofwel met een attitude dat je minstens aan zelfreflectie doet tijdens je tocht. Dat is toch wat er in de pre-ambule van je crédencial staat.

Hoe bereid je jezelf voor op een Camino?

De voorbereiding bestaat uit drie delen: logistiek, fysiek en mentaal. Logistiek gaat over het plannen van de route, de plaatsen waar je denkt te overnachten, vluchten en vervoer, waar je gaat eten, je rugzak en wat daar in gaat, je wandelschoen,… Dat is vooral een kwestie van praktisch aanpakken.

Als je gezond bent, dan zou je de Camino moeten aan kunnen. Er staat in principe geen leeftijd op wandelen, en de route zelf gaat niet over bijzonder ruw terrein. Wel wil je op voorhand weten waar je aan toe bent. Het is en blijft nog steeds een stevige inspanning, dus wil je op voorhand regelmatig wandelen om in het ritme te komen en te kijken wat je aan kan.

Tenslotte moet je je afvragen waarom je dit wil doen. Onderweg bestaat het leven uit urenlang wandelen, rusten, eten en slapen. Je moet er bewust voor kiezen om uit je comfortzone te stappen. Slecht weer, blaren, spierpijn, een volle herberg,… Heel wat pelgrims komen zichzelf tegen onderweg.

Dat klinkt als een stevige uitdaging.

En dat is het ook. Er wordt gezegd dat ieder zijn eigen Camino wandelt. De afstand doet er niet zoveel toe. Het gaat er uiteindelijk om wat je voor jezelf uit de ervaring wil mee nemen.

De Camino de Santiago

De Camino de Santiago. De Sint Jakobsweg. Een netwerk van pelgrimsroutes doorheen Europa die allen leiden naar een eindpunt: Santiago de Compostela in Galicia, Spanje. Al sinds de Middeleeuwen wandelen pelgrims naar Santiago om daar het graf van de apostel Jacobus te bezoeken… en binnenkort treed ik andermaal in hun voetsporen.

Andermaal? Jawel, vorig jaar wandelde ik vanuit Sarria, in 5 dagen de laatste 115 kilometer naar Santiago. Dat beviel me zo hard dat ik besloot om dit jaar de Camino Portuguese te wandelen. In 12 dagen hoop ik de 260 kilometer tussen Porto en Santiago te kunnen overbruggen.

Waarom? Rond mijn dertigste zat ik heel wat levensvragen waar ik geen vat op leek te hebben. In die periode kwam de Camino op mijn weg. Was het niet de schelpen die ook hier in Vlaanderen in straatstenen staan, dan was het wel de film van Emilio Estevez, of occasionele berichten op het Interwebs. Ik was er toen niet klaar voor, maar ik beloofde mezelf dat ik op een dag de Camino zou wandelen.

Vorig jaar gaf Marjan mij de spreekwoordelijke schop onder de kont. Er is tijd, er is ruimte en mijn tropenjaren heb ik achter mij gelaten.

De Camino wandelen vraagt best wat voorbereiding. Routes, rugzak, papierwerk, schoenen,… Met een Camino in het vooruitzicht is er inspiratie te over om over te schrijven.

Een Maand Vakantie

Ik had een maand vakantie genomen. Tijdens de Gentse Feesten sluit de Universiteit haar deuren, en dus plakte ik er ineens nog drie weken achter. Tijd om eens echt op adem te komen.

We trokken in de eerste week naar onze vast stek in Toscane en de Italiaanse zon. Helaas hadden we een verstekeling mee: Corona had ons te pakken. Eerst Marjan, daarna ikzelf. Dat gaf een paar dagen stevig koorts, een pijnlijke keel en heel weinig energie. Desondanks hebben we er het beste van gemaakt en zo veel als mogelijk van de reis proberen genieten. Sowieso was het plan om met de voetjes omhoog en een boek in de hand te rusten en te laveren tussen strandstoel en zwembad. En da’s best goed gelukt.

De tweede week was dan vooral platte rust. Veel platte rust.

De derde week, dat was er een voldoende door komen om naar Rammstein in Oostende te gaan kijken. Geweldig concert. Magistrale show. Veel vuurwerk en een goede mix klassiekers en nieuwe songs. Deutsche Gründlichkeit en zo. Helemaal af.

De laatste week, dat was de geboorte van het eerste nichtje langs mijn kant van de familie. En haar broertje, mijn neefje / petekind, op logement.

Dan volgde mijn verjaardag en het einde van de vakantie. Helaas moesten we de feestelijkheden annuleren wegens dat ik andermaal koorts en ellendig werd. Tweemaal op vier weken dat verdiende een bezoek aan de dokter. Een bloedonderzoek later blijkt dat ik een serieus te kort heb aan vitamine D. Ondertussen ben ik terug genezen en heb ik voor de komende twee maanden een stevige vitaminekuur voor geschreven gekregen.

Een vakantie met wat ups en downs en vooral veel verplichte platte rust. Wat eigenlijk zo slecht nog niet was tussen de hitte en droogte. Uiteindelijk heb ik nauwelijks een computer aangeraakt. Of het was misschien om eens een spelletje te spelen. Nu ik terug aan de slag ben kan ik wel zeggen: ik merk dat. Het doet deugd om zo ontspannen het digitale leven terug te hervatten.

Tips for visiting San Fransisco

So, I went to San Fransisco last week. I attended the LDCX conference at Stanford. Travelling solo from Europe to the Bay Area wasn’t something I had planned doing at the start of this year. But here we are, and looking back, I’m grateful for the opportunity. Without going into a detailed day-to-day report, here are several tips if you consider following my footsteps.

The easiest way to book flights is via Expedia. I spend a few hours comparing and I finally settled with a flight into San Fransisco International with Air Canada via Montreal. My return flight was operated by Lufthansa via Munich to Brussels. Considering I booked late – barely a month in advance – I think I still got a fair value deal.

I stayed at the Dylan Hotel in Millbrae. Again, it was a deal via Booking. Now, Millbrae isn’t San Fransisco. It’s some 16 miles from city center. The plus is that the hotel is conveniently located near a BART station which provides a lightrail connection directly into town. Moreover, it’s also a Caltrain station with a southbound connection towards Silicon Valley and San José. San Fransisco isn’t cheap, so staying outside of the city and using public transport definitely helps.

Use BART to get into San Fransisco, and then get a MUNI passport (Clipper card) for 43$ which gets you around town for the next 7 days. Seriously. Get a card! Why? Because San Fransisco is known (or infamous) for it’s hills. Unless you like hiking to the top of Nob Hill or Fillmore Street, this card will save you more then a fair share of blisters. Also, San Fransisco peninsula is larger then a map might give you. Don’t underestimate the distances.

Things I did during the few days before and after the conference:

I barely scratched the surface of things to do and see in San Fransisco. There’s still the Mission, the Golden Gate Park, Sausalito and so much more.

You won’t starve in SF either. On my first day, I ended up in Gotts near the Embarcadero for a good old American Cheeseburger. Another great tip would be Tadich Grill. Cheaper menu’s can be found in the Food Emporium below Westfield Center. And then there’s the Food Market in the Embarcadero Ferry building itself for something on the go. The city itself is dotted with bars, cafés, and small coffee houses. You can easily pick out the new, hip, hot spots by the long lines of patrons waiting to get in.

SF is an awesome travel destination. If you’re considering a visit to the U.S., I’d say this is a great starting place to get a first, gentle taste of America.

Op citytrip naar Rotterdam

Vorige week deden Marjan en ik van citytrip. Bestemming Rotterdam. Met dank aan het kortingboekje dat een tijdje geleden bij de Flair zat. We verbleven er 3 nachten in het Inntel Hotel. Voldoende tijd dus om de stad te verkennen.

To do

Spido bootvaart

Spido is een kleine rederij die pleziervaarten aanbiedt. Zo ook een boottocht van 70 minuten door de haven van Rotterdam. Ticketverkoop ter plaatse, vertrek en aankomst aan de Erasmusbrug. We konden vanop het bovendek genieten van de uitzichten. De tour werd begeleid door een duidelijke, meertalige audioguide. Onderdeks was er een cafetaria waar we voor een schappelijke prijs van koffie en koek konden genieten.

Schorem Barbiers

Iets voor de mannen. In de volkse wijk aan de Nieuwe Binnenweg vind je een rasechte barbier: Schorem. Vetkuiven, pommades, flattops, the works. Het antieke interieur van deze bende ruige haarsnijders ademt klasse uit. Ik stapte er op mijn verjaardag binnen voor een hot towel shave. Ik werd er behandeld als een koning. Aanrader als je even wil verpozen.

Lijnbaan

Het shoppinghart van Rotterdam, dat is de Lijnbaan. Dit is een van de oudste shoppingstraten van Nederland. Aangelegd in 1949 tijdens de wederopbouw en nadien geklasseerd als rijksmonument. Vandaag vind je er tal van grote ketens en trendy winkels. Een waar shoppingparadijs.

To visit

SS Rotterdam

De Rotterdam was/is één van de grootste stoomschepen die in de 20ste eeuw in de omvaart was. Deze boot werd ebouwd in 1958 en as tot eind de jaren ’60 actief op de transatlantische lijn. Nadien werd ze een cruïseschip. Ze werd in 1997 uit de vaart gehaald. Vandaag is het een drijvend hotel en een museum. Het interieur uit de jaren ’50 en ’60 werd geherwaardeerd. Voor 32 euro krijg je een gidsbeurt door de machinekamers én een audiotour doorheen het volledige schip. We dachten een uurtje aan boord te blijven, het werden er uiteindelijk vier.

Museumpark

Het Museumpark is… een park vol met musea. Het bekendste museum is het Booijmans – Van Beuningen waar je Van Gogh, Breughel, Dali, Rubens, Rembrandt, Bosch en nog vele anderen een plaats hebben, naast hedendaagse kunst. Je vindt er ook de Kunsthal, Huis Sonneveld en het Nieuwe Instituut dat inzet op architectuur en actuele kunsten.

Kubuswoningen

Rotterdam dat zijn de kubuswoningen ontworpen door Piet Blom. Dit is letterlijk een woud van woningen: bakstenen torentjes met een stenen kubussen als ware het kruinen van een bos. De woningen zelf zijn allemaal privaat bewoond. Er is een kijkwoning die je kan bezoeken.

De Markthal

De Markthal is nog zo’n architecturaal wondertje. Een soort van gigantisch gewelf bestaande uit woon- en werkruimtes die een centrale markthal overspant. Het is een bijzonder modern ontwerp uit 2014. De markt zelf wordt omschreven als het foodwalhalla van Rotterdam. Dat lijkt wel te kloppen want het is een foodcourt vol standjes met exotische waren: Marrokaans, Filipijns, Japans, Koreaans, etc.

To Eat and Drink

Bazar

De Witte de With straat is de place to be om de innerlijke mens te sterken. Bazar is een groot restaurant met een groot-keuken die gerechten uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten serveert. Voor schappelijke prijzen krijg je er een uitgebreid menu. Je kan er terecht voor ontbijt, lunch én dinner.

Lola Bar & Kitchen

Hier kwamen terecht op onze eerste avond. Lola is een trendy en tegelijk gezellige restaurant dat de Spaanse keuken serveert. We genoten er van een heel lekkere plancha met gevarieerde tapas en cuba libre’s. Lola vind je terug op de Schiedamse Vest welke een zijstraat is van de Witte de With straat.

Vivu

Misschien is oriëntaals meer je ding. Tegenover de Wagamama vind je in een souterain het Vietnamese restaurant Vivu. Voor 25 euro kan je kiezen uit een drie-gangen menu.

Ballroom

Gin? Gin! Dan moet je bij Ballroom zijn. 162 gin/tonics op de kaart. En dat is nog maar het topje van de ijsberg. ’s Avonds verzamelt zich hier hip en jong Rotterdam. Aanrader als je na het dinner nog even verder wil genieten van de evening buzz.

Jamie’s Italian

Jamie Oliver heeft vaneigenst ook een franchise in Italiaanse restaurants. Eentje daarvan vind je terug in de Markthal. Misschien een beetje aan de dure kant voor herkenbare gerechten die je in zijn kookboeken terug kan vinden, maar ik moet zeggen dat de pasta met rundsragout zijn prijs helemaal waard was.

O Pazzo

Net buiten het centrum vind je O Pazzo terug. We brachten er onze laatste avond door. In een moderne, open ruimte eten de eigenaars de gezelligheid van de klassieke trattoria te repliceren. De open keuken met de oven in de vorm van een gesculptuurde octopus trekt onmiddellijk het oog. We hadden elk een voorgerechtje en een pizza besteld. We kregen daarvoor een copieuze hoeveelheid op ons bord. De bediening was er supervriendelijk. Bezoek zeker de toiletten waar gewijde gezangen de bezoeker ontvangen terwijl deze de troon bestijgt.

Drie volle dagen Rotterdam, dat is al de moeite. Doet dat pijn aan de voeten? Neen, eigenlijk niet. Het centrum van de stad is niet al te groot. Alle vermelde locaties liggen op wandelafstand van elkaar. Buiten de SS Rotterdam dan. Je kan ook per metro of per watertaxi verplaatsen. Ik heb begrepen dat we nog niet alles van Rotterdam hebben gezien. Er is nog veel meer zoals Hotel New York, de Euromast en Delftshaven. Rotterdam is immers een kosmopolitische stad. Ik kan alleen maar zeggen dat het een heel fijne stad is die ik graag aanraad aan citytrippres.

Over klimmen, mezelf tegen komen en angst overwinnen

Ik heb net mijn eerste klimweekend in de Ardennen achter de rug. Hoe heb ik dat ervaren? Wel, dit was duidelijk iets helemaal anders dan klimmen in de zaal. En jawel, ik ben mezelf, vlugger dan ik had gedacht, onderweg tegen gekomen.

Zaterdagmorgen om 7h stond ik met een rugzak vol klimspullen en een tent klaar om te vertrekken. Een paar uur later verzamelden ik met 6 mede-cursisten en 3 begeleiders onder het massief van Corphalie in een druilerige motregen. Een natte rots is een gladde rots. En dus werd besloten om het weekend te openen met de uitleg die we eerder vorige week in de zaal kregen.

Er werd gekozen voor een stuk rotsplaat waar de relais op een ruime standplaats te vinden is: een stuk gras tussen de rotsen waar je comfortabel met 9 personen kan staan. Hoogte? 15 meter. Niet veel meer dan in de klimzaal. Bovendien was het meer klauteren dan echt verticaal klimmen. De wand zat vol grote spleten en brede richels. Ideaal voor een eerste kennismaking. We begonnen met rappel maar al snel deden we de volledige cyclus onder het waakzame oog van onze begeleiders. Eén man die voor klom tot aan de relais, standplaats opbouwt en dan de na-klimmer zekert tot ook die boven komt en zijn/haar leeflijn inpikt. Dan ombouwen naar rappel en zo terug naar beneden. Het klinkt makkelijker dan het is want er is geen ruimte voor fouten.

Zo passeerde de middag snel. Omhoog en terug naar beneden. Zo goed mogelijk oefenen. Het leek allemaal goed te lukken. Angst? Nah. Niet echt. Zelfs niet bij het voor klimmen ook al zaten de haken waar je jezelf inpikt, op een paar meter van elkaar.

Alles onder controle
Alles onder controle

De dag erna zouden naar een ander massief trekken. De begeleiders lieten weten dat het niveau een stuk hoger zou liggen nu. Dat wil zeggen: geen klauteren maar echt klimmen. Het weer zou ook wat beter mee zitten. Na een frisse nacht in een tentje – ik heb beter geslapen dan ik had verwacht – trokken we met het auto konvooi richting Yvoir.

Eenmaal onderaan de rots, wel, dat was even slikken. Ze hadden niet gelogen. Voor mij torenden rotsplaten tientallen meters de lucht in. Granieten reuzen die uitdagend wachten op moedige zielen (of razende gekken) die ze te lijf willen gaan. In de voormiddag werd gekozen voor een stuk wand waar tot 30 à 40 meter zou worden geklommen. Drie routes met aan elke relais een waakzame begeleider. We verdeelden ons in drie cordées.

Al snel stond ik alleen onderaan terwijl ik mijn klimpartner zekerde. Als voorklimmer ging hij eerst. Ondertussen probeerde ik mijn hoofd leeg te maken. Welke moeilijkheidsgraad was dat ook al weer? 4b gelijkgesteld aan 5a? Makkie! Ik wandel 5a zo naar boven in de klimzaal. Dit moet toch wel lukken!

Matthias, départ!

Zo weerklonk het. En toen vatte ik de tocht omhoog aan. Na enkele meters bleek dat dit totaal iets anders was dan in de zaal. Geen gekleurde grepen die je de weg wijzen. Enkel een grijze, koude granieten steen voor je neus met af en toe een uitsparing, een richeltje, spleetjes en kieren en hier en daar een uitstekend blokje. Ik begon sneller te ademen, mijn handen en voeten kregen het koud. Ik voelde hoe mijn benen oncontroleerbaar begonnen trillen. Golven van angst en paniek begonnen door mijn lijf te gieren. Waar ben ik in godsnaam aan begonnen? Er was geen weg terug, ik moest wel naar boven. En dat deed ik ook. Boven pikte ik in op de centrale zekering met mijn leeflijn, volledig buiten adem. Ik stond volledig opgespannen en opgedraaid in mijn gordel. Mijn benen waren pudding. Mijn lijf had het ijskoud.

Na een paar minuten kwam ik er door. Begeleider Yordi deed dat fantastisch en liet mij ombouwen naar rappel. Terug naar beneden komen hield, vreemd genoeg, niks in. De adrenaline verliet mijn lijf en ik genoot van de rit terug naar moeder aarde.

Ook de tweede keer besloot ik na te klimmen op dezelfde route. Deze keer was er afgesproken om mij sec te zekeren. Zo word ik ook gezekerd in de zaal. Het ging een stuk beter. De stukken die ik een uurtje eerder voor het eerst deed herkende ik nu. Ik legde mijn focus op mijn klimmen. Voldoende tijd nemen. Letten op mijn ademhaling. Zoeken naar een goede steun voor mijn voeten om me op te duwen. Met gestrekte armen klimmen en proberen om op mijn volledige handen te klimmen in plaats van mijn vingertippen. Het ging een stuk beter, maar eenmaal boven gierde de adrenaline nog steeds door mijn lijf.

Om jullie een indruk te geven, een filmpje van een andere klimmer op hetzelfde massief:

Tijdens de lunch begon me te dagen dat dit misschien meer is dan waar ik vandaag klaar voor ben.

In de namiddag besloot de groep om l’Aiguille te klimmen. Dat is een licht overhellende rotspunt. Eenmaal op de top rappel je in vrije lucht terug naar beneden. Het kost je wel twee touwlengtes om die top te bereiken. 60 meter in de lucht. Dit was duidelijk nog een trap verder dan in de morgen. De twijfel sloeg nu echt toe. Zelfs als ik na klom, dan zou ik nog moeten voor klimmen om op de top te geraken. Van op de grond zag het er best te doen uit. Het niveau was andermaal 4b dus iets wat ik best wel zou aan kunnen. Ik wilde het er best op wagen.

Andermaal klom ik na. Andermaal arriveerde ik aan de eerste relais met puddingbenen goed 30 meter boven de grond.

Halverweg l’Aiguille, faking confidence
Halverweg l’Aiguille, faking confidence

Daarboven kwam ik mezelf echt tegen. De begeleiders zaten zo’n tien meter van ons vandaan. Het kwam er op aan om volledig zelfredzaam te zijn. Ik moest er niet aan twijfelen, hier eindigde de dag voor mij. Ik besloot om via rappel naar beneden te zakken en te wachten tot de groep terug arriveerde langs de andere zijde van de piek. En zelfs toen maakte ik een fout: ik stapte over het touw waardoor mijn prussik verkeerd kwam te liggen. Het was een strijd om in ruwe schokken beneden te geraken.

Angst, teleurstelling en vooral diep onder de indruk. Dit is helemaal niet wat ik ervan had verwacht. In de zaal klim ik op mijn dooie gemak de 12 of 15 meter omhoog. Van angstaanvallen geen sprake terwijl de zwaarkracht in de zaal niet anders werkt dan in de Ardennen.

Wat is er dan mis gelopen?

Wel, ik had geen veilig gevoel. De klimhaken zitten op enkele meters van elkaar. De wind en het afwisselende voorjaarsweer speelden mij parten. Mijn lijf voelde zich absoluut niet comfortabel. En bovenal:

Ik was bang om te vallen.

Plain and simple. Nochtans, wat zou er gebeuren als ik viel? Mijn prefrontale cortex weet dat mijn partner mij zou opvangen en dat de lijnen en het materiaal waar ik aan vast hing tot 22 ton kunnen dragen. Meer zelfs, ik wéét dat dit een moeilijkheidsgraad is die ik zonder vallen kan klimmen. Misschien maak ik wel een lelijke buiteling, maar de kans op lijfelijke schade was – statistische gezien – vrij klein. Alleen weten mijn amygdala dat totaal niet. Mijn reptielenbrein heeft tot nog toe maar enkele stevige valpartijen mogen ervaren. Bovendien was dat stukje brein totaal uit haar comfortzone. Ik weet eigenlijk niet wat ik mag verwachten bij een iets stevigere val, laat staan wat dat dan inhoudt op rots als je vanaf 25 hoog een 5-tal meter naar beneden dondert.

Voor de niet geïnitieerden. Dit is een voorklimmersval.

Als ik dus op rots wil leren klimmen, dan moet ik leren om uit mijn comfortzone te geraken. En daarvoor moet ik dus de zaal in om voor te klimmen en te vallen. Veel te vallen. Telkens een beetje hoger en meer. En ook veel minder hard gezekerd klimmen. Op een mou in plaats van sec touw klimmen. Leren omgaan met het onvoorspelbare van een val. Leren betrouwen op mijn materiaal. Nog meer leren betrouwen in mijn eigen klimvaardigheid.

Ik ben ook gaan beseffen dat klimmen een ultieme oefening in mindfulness is. Er is geen ruimte om aan andere dingen te denken, laat staan wat er zou kunnen gebeuren. Het komt er op neer om te leren je focus te leggen op de volgende beweging die je moet maken en de rest mentaal te blokkeren. Als het er niet van nature in zit, dan is het iets dat slechts met oefening komt.

De hamvraag is natuurlijk: hoe zit het nu met de rest van de cursus? Wel, het is heel simpel. Als ik niet over mijn angst geraak, haal ik het brevet niet. Het volgende klimweekend is gepland eind Mei. Of ik er dan klaar voor zal zijn? Wel, dat zijn vier korte weken. Ik durf het zo meteen niet te zeggen. Ik ga mezelf voldoende tijd moeten gunnen. Het laatste wat ik ga doen is mezelf forceren. Het moet uiteindelijk wel veilig én plezierig blijven, en dat is nu helemaal niet het geval. Het brevet is eigenlijk het laatste waar ik momenteel aan denk.

Jaren geleden, in 2005 of zo, moest ik voor het eerst in mijn professionele carrière spreken voor een publiek. Een korte lezing van een 45 minuten over audiovisueel archief digitaliseren aan de VUB. Ik had in de week voordien gierende rolzenuwen. Ik herinner me nog levendig hoe ik vlak voor ik het podium op moest, nog dringend het toilet moest bezoeken. En ik herinner mij nog levendig de blackout die ik had na goed twintig minuten. Toen telde ik tot tien, ademde ik diep in en kwam ik terug tot mezelf. Achteraf bleek ik dat goed te hebben gedaan.

Dik 12 jaar later heb ik reeds ettelijke malen in binnen- en buitenland lezingen en presentaties gegeven en meerdaagse trainingen geleid. Soms voor een groep van nauwelijks 7 man, maar even goed voor een publiek van +100 mensen.

Ondertussen vind ik spreken voor een publiek fijn om te doen. Topic kiezen, de voorbereiding, slides en een demo opstellen, een presentatie vlot en binnen de toegemeten tijd geven: dat lukt allemaal heel vlotjes. De tijd dat ik met een ei in mijn broek het podium betreed heb ik al lang achter mij gelaten. Mijn laatste acte de présences had ik rond de jaarwissel. Eerst op een eigen studiedag en een dikke maand later op de Brussels Art Fair op vraag van de Koning Boudewijnstichting. En  Had ik schrik? Geen moment eigenlijk. Eenmaal vooraan concentreer ik mij niet op het publiek. Ik ben zelfs helemaal niet bezig met wat ze denken. Het enige waar ik mee bezig ben is het afwerken van de inhoud die ik heb voorbereid.

Wat ik vooral geleerd heb is dat voorbereiding en ervaring de sleutel zijn. Door veel te spreken ben ik me gaandeweg comfortabel beginnen voelen en is de angst grotendeels verdwenen. Ik heb geen vast script met een uitgetypte tekst. Ik hou het op een spiekbriefje met enkele bullets en de woorden volgen van zelf. Dat laat me toe om af te wijken, te variëren in snelheid of meer of minder technisch te spreken.

En net zoals leren spreken voor een volle zaal moet ik nu ook leren om comfortabel te klimmen en te betrouwen dat het materiaal en mijn klimpartner hun werk zullen doen.

« Vorige blogposts Pagina 1 van 16 pagina's Volgende blogposts »