Over klimmen, mezelf tegen komen en angst overwinnen

Ik heb net mijn eerste klimweekend in de Ardennen achter de rug. Hoe heb ik dat ervaren? Wel, dit was duidelijk iets helemaal anders dan klimmen in de zaal. En jawel, ik ben mezelf, vlugger dan ik had gedacht, onderweg tegen gekomen.

Zaterdagmorgen om 7h stond ik met een rugzak vol klimspullen en een tent klaar om te vertrekken. Een paar uur later verzamelden ik met 6 mede-cursisten en 3 begeleiders onder het massief van Corphalie in een druilerige motregen. Een natte rots is een gladde rots. En dus werd besloten om het weekend te openen met de uitleg die we eerder vorige week in de zaal kregen.

Er werd gekozen voor een stuk rotsplaat waar de relais op een ruime standplaats te vinden is: een stuk gras tussen de rotsen waar je comfortabel met 9 personen kan staan. Hoogte? 15 meter. Niet veel meer dan in de klimzaal. Bovendien was het meer klauteren dan echt verticaal klimmen. De wand zat vol grote spleten en brede richels. Ideaal voor een eerste kennismaking. We begonnen met rappel maar al snel deden we de volledige cyclus onder het waakzame oog van onze begeleiders. Eén man die voor klom tot aan de relais, standplaats opbouwt en dan de na-klimmer zekert tot ook die boven komt en zijn/haar leeflijn inpikt. Dan ombouwen naar rappel en zo terug naar beneden. Het klinkt makkelijker dan het is want er is geen ruimte voor fouten.

Zo passeerde de middag snel. Omhoog en terug naar beneden. Zo goed mogelijk oefenen. Het leek allemaal goed te lukken. Angst? Nah. Niet echt. Zelfs niet bij het voor klimmen ook al zaten de haken waar je jezelf inpikt, op een paar meter van elkaar.

Alles onder de controle

De dag erna zouden naar een ander massief trekken. De begeleiders lieten weten dat het niveau een stuk hoger zou liggen nu. Dat wil zeggen: geen klauteren maar echt klimmen. Het weer zou ook wat beter mee zitten. Na een frisse nacht in een tentje – ik heb beter geslapen dan ik had verwacht – trokken we met het auto konvooi richting Yvoir.

Eenmaal onderaan de rots, wel, dat was even slikken. Ze hadden niet gelogen. Voor mij torenden rotsplaten tientallen meters de lucht in. Granieten reuzen die uitdagend wachten op moedige zielen (of razende gekken) die ze te lijf willen gaan. In de voormiddag werd gekozen voor een stuk wand waar tot 30 à 40 meter zou worden geklommen. Drie routes met aan elke relais een waakzame begeleider. We verdeelden ons in drie cordées.

Al snel stond ik alleen onderaan terwijl ik mijn klimpartner zekerde. Als voorklimmer ging hij eerst. Ondertussen probeerde ik mijn hoofd leeg te maken. Welke moeilijkheidsgraad was dat ook al weer? 4b gelijkgesteld aan 5a? Makkie! Ik wandel 5a zo naar boven in de klimzaal. Dit moet toch wel lukken!

Matthias, départ!

Zo weerklonk het. En toen vatte ik de tocht omhoog aan. Na enkele meters bleek dat dit totaal iets anders was dan in de zaal. Geen gekleurde grepen die je de weg wijzen. Enkel een grijze, koude granieten steen voor je neus met af en toe een uitsparing, een richeltje, spleetjes en kieren en hier en daar een uitstekend blokje. Ik begon sneller te ademen, mijn handen en voeten kregen het koud. Ik voelde hoe mijn benen oncontroleerbaar begonnen trillen. Golven van angst en paniek begonnen door mijn lijf te gieren. Waar ben ik in godsnaam aan begonnen? Er was geen weg terug, ik moest wel naar boven. En dat deed ik ook. Boven pikte ik in op de centrale zekering met mijn leeflijn, volledig buiten adem. Ik stond volledig opgespannen en opgedraaid in mijn gordel. Mijn benen waren pudding. Mijn lijf had het ijskoud.

Na een paar minuten kwam ik er door. Begeleider Yordi deed dat fantastisch en liet mij ombouwen naar rappel. Terug naar beneden komen hield, vreemd genoeg, niks in. De adrenaline verliet mijn lijf en ik genoot van de rit terug naar moeder aarde.

Ook de tweede keer besloot ik na te klimmen op dezelfde route. Deze keer was er afgesproken om mij sec te zekeren. Zo word ik ook gezekerd in de zaal. Het ging een stuk beter. De stukken die ik een uurtje eerder voor het eerst deed herkende ik nu. Ik legde mijn focus op mijn klimmen. Voldoende tijd nemen. Letten op mijn ademhaling. Zoeken naar een goede steun voor mijn voeten om me op te duwen. Met gestrekte armen klimmen en proberen om op mijn volledige handen te klimmen in plaats van mijn vingertippen. Het ging een stuk beter, maar eenmaal boven gierde de adrenaline nog steeds door mijn lijf.

Om jullie een indruk te geven, een filmpje van een andere klimmer op hetzelfde massief:

Tijdens de lunch begon me te dagen dat dit misschien meer is dan waar ik vandaag klaar voor ben.

In de namiddag besloot de groep om l’Aiguille te klimmen. Dat is een licht overhellende rotspunt. Eenmaal op de top rappel je in vrije lucht terug naar beneden. Het kost je wel twee touwlengtes om die top te bereiken. 60 meter in de lucht. Dit was duidelijk nog een trap verder dan in de morgen. De twijfel sloeg nu echt toe. Zelfs als ik na klom, dan zou ik nog moeten voor klimmen om op de top te geraken. Van op de grond zag het er best te doen uit. Het niveau was andermaal 4b dus iets wat ik best wel zou aan kunnen. Ik wilde het er best op wagen.

Andermaal klom ik na. Andermaal arriveerde ik aan de eerste relais met puddingbenen goed 30 meter boven de grond.

Halverweg l’Aiguille, faking confidence

Daarboven kwam ik mezelf echt tegen. De begeleiders zaten zo’n tien meter van ons vandaan. Het kwam er op aan om volledig zelfredzaam te zijn. Ik moest er niet aan twijfelen, hier eindigde de dag voor mij. Ik besloot om via rappel naar beneden te zakken en te wachten tot de groep terug arriveerde langs de andere zijde van de piek. En zelfs toen maakte ik een fout: ik stapte over het touw waardoor mijn prussik verkeerd kwam te liggen. Het was een strijd om in ruwe schokken beneden te geraken.

Angst, teleurstelling en vooral diep onder de indruk. Dit is helemaal niet wat ik ervan had verwacht. In de zaal klim ik op mijn dooie gemak de 12 of 15 meter omhoog. Van angstaanvallen geen sprake terwijl de zwaarkracht in de zaal niet anders werkt dan in de Ardennen.

Wat is er dan mis gelopen?

Wel, ik had geen veilig gevoel. De klimhaken zitten op enkele meters van elkaar. De wind en het afwisselende voorjaarsweer speelden mij parten. Mijn lijf voelde zich absoluut niet comfortabel. En bovenal:

Ik was bang om te vallen.

Plain and simple. Nochtans, wat zou er gebeuren als ik viel? Mijn prefrontale cortex weet dat mijn partner mij zou opvangen en dat de lijnen en het materiaal waar ik aan vast hing tot 22 ton kunnen dragen. Meer zelfs, ik wéét dat dit een moeilijkheidsgraad is die ik zonder vallen kan klimmen. Misschien maak ik wel een lelijke buiteling, maar de kans op lijfelijke schade was – statistische gezien – vrij klein. Alleen weten mijn amygdala dat totaal niet. Mijn reptielenbrein heeft tot nog toe maar enkele stevige valpartijen mogen ervaren. Bovendien was dat stukje brein totaal uit haar comfortzone. Ik weet eigenlijk niet wat ik mag verwachten bij een iets stevigere val, laat staan wat dat dan inhoudt op rots als je vanaf 25 hoog een 5-tal meter naar beneden dondert.

Voor de niet geïnitieerden. Dit is een voorklimmersval.

Als ik dus op rots wil leren klimmen, dan moet ik leren om uit mijn comfortzone te geraken. En daarvoor moet ik dus de zaal in om voor te klimmen en te vallen. Veel te vallen. Telkens een beetje hoger en meer. En ook veel minder hard gezekerd klimmen. Op een mou in plaats van sec touw klimmen. Leren omgaan met het onvoorspelbare van een val. Leren betrouwen op mijn materiaal. Nog meer leren betrouwen in mijn eigen klimvaardigheid.

Ik ben ook gaan beseffen dat klimmen een ultieme oefening in mindfulness is. Er is geen ruimte om aan andere dingen te denken, laat staan wat er zou kunnen gebeuren. Het komt er op neer om te leren je focus te leggen op de volgende beweging die je moet maken en de rest mentaal te blokkeren. Als het er niet van nature in zit, dan is het iets dat slechts met oefening komt.

De hamvraag is natuurlijk: hoe zit het nu met de rest van de cursus? Wel, het is heel simpel. Als ik niet over mijn angst geraak, haal ik het brevet niet. Het volgende klimweekend is gepland eind Mei. Of ik er dan klaar voor zal zijn? Wel, dat zijn vier korte weken. Ik durf het zo meteen niet te zeggen. Ik ga mezelf voldoende tijd moeten gunnen. Het laatste wat ik ga doen is mezelf forceren. Het moet uiteindelijk wel veilig én plezierig blijven, en dat is nu helemaal niet het geval. Het brevet is eigenlijk het laatste waar ik momenteel aan denk.

*

***

Jaren geleden, in 2005 of zo, moest ik voor het eerst in mijn professionele carrière spreken voor een publiek. Een korte lezing van een 45 minuten over audiovisueel archief digitaliseren aan de VUB. Ik had in de week voordien gierende rolzenuwen. Ik herinner me nog levendig hoe ik vlak voor ik het podium op moest, nog dringend het toilet moest bezoeken. En ik herinner mij nog levendig de blackout die ik had na goed twintig minuten. Toen telde ik tot tien, ademde ik diep in en kwam ik terug tot mezelf. Achteraf bleek ik dat goed te hebben gedaan.

Dik 12 jaar later heb ik reeds ettelijke malen in binnen- en buitenland lezingen en presentaties gegeven en meerdaagse trainingen geleid. Soms voor een groep van nauwelijks 7 man, maar even goed voor een publiek van +100 mensen.

Ondertussen vind ik spreken voor een publiek fijn om te doen. Topic kiezen, de voorbereiding, slides en een demo opstellen, een presentatie vlot en binnen de toegemeten tijd geven: dat lukt allemaal heel vlotjes. De tijd dat ik met een ei in mijn broek het podium betreed heb ik al lang achter mij gelaten. Mijn laatste acte de présences had ik rond de jaarwissel. Eerst op een eigen studiedag en een dikke maand later op de Brussels Art Fair op vraag van de Koning Boudewijnstichting. En  Had ik schrik? Geen moment eigenlijk. Eenmaal vooraan concentreer ik mij niet op het publiek. Ik ben zelfs helemaal niet bezig met wat ze denken. Het enige waar ik mee bezig ben is het afwerken van de inhoud die ik heb voorbereid.

Wat ik vooral geleerd heb is dat voorbereiding en ervaring de sleutel zijn. Door veel te spreken ben ik me gaandeweg comfortabel beginnen voelen en is de angst grotendeels verdwenen. Ik heb geen vast script met een uitgetypte tekst. Ik hou het op een spiekbriefje met enkele bullets en de woorden volgen van zelf. Dat laat me toe om af te wijken, te variëren in snelheid of meer of minder technisch te spreken.

En net zoals leren spreken voor een volle zaal moet ik nu ook leren om comfortabel te klimmen en te betrouwen dat het materiaal en mijn klimpartner hun werk zullen doen.