Categorieën
Lezen

Ik las Isaac Asimov’s Foundation

Eind juni lanceerde Apple een trailer voor haar Apple TV science fiction serie Foundation. Die is gebaseerd op de Foundation boeken van Isaac Asimov. Aangezien de serie nog niet uit is (en we geen Apple TV abonnement hebben), ben ik begonnen met de boeken te lezen. Frank Herbert publiceerde zijn welbekende Dune dan wel in 1965. Je zou vermoeden dat hij een grondlegger van het genre is, maar eigenlijk was Dune een tegen antwoord op Asimov’s werk. Die schreef Foundation eerst als een serie kortverhalen vanaf 1942. In 1951 werden die gebundeld en uitgegeven als een volwaardige space opera. Hoe hebben die verhalen de tand des tijds doorstaan?

Cover Foundation
Foundation cover

Het Galactische Imperium is na 12.000 jaar begonnen aan haar verval. Hari Seldon, een briljante wiskundige en grondlegger van de ‘psychogeschiedenis’, voorspelt een Donker Tijdperk dat 30.000 jaar zal duren. Om de mensheid en haar kennis te redden verzamelt hij de meest scherpe geesten, kunstenaars, wetenschappers, ingenieurs,… en stuurt hij ze naar een kleine, onherbergzame planeet aan de rand van de Melkweg, temidden vijandige barbaarse rijkjes. Dat toevluchtsoord is de ‘Foundation’. Tegen die achtergrond assembleert Isaac Asimov de verdere geschiedenis van de Foundation als een serie kortverhalen die telkens een kritisch moment belichten.

Tussen een wereldoorlog en de wederopbouw, schreef Asimov een modernistische reflectie op religie, vooruitgangsdenken, technologie, massa media, politiek, socio-economie en cultuur. Seldon’s psychogeschiedenis vormt een soort deterministische theorie die de loop der dingen verklaart en die tot een onvermijdelijke conclusie zal leiden. Paradoxaal genoeg zorgt het kennen van de toekomst er juist voor dat het heden een andere richting zal uitgaan. De kortverhalen schetsen koninkrijken en republieken, die elkaar naar het leven staan en waarin het overleven van de Foundation op het spel staat. De hoofdrolspelers zijn figuren die behoren tot de elite binnen de Foundation. Ze zijn vertrouwd met Seldon’s theorie, maar proberen om wars van enige kennis de loop van de geschiedenis zo min mogelijk te beinvloeden. Dat leidt tot intriges, allianties, delicate diplomatie, koehandel, gepoker op het scherp van de snee, enzovoorts.

Foundation bevat dan ook bizarre concepten zoals wetenschappelijk en technologisch denken dat verpakt wordt als een vorm van religie inclusief tempels en hogepriesters om invloed te kunnen uitoefenen op de vijandige koninkrijken. Voor verhalen uit 1950 vond ik dat het allemaal heel modern leest. Alhoewel het best wel opvallend is hoe veel belang Asimov aan nucleaire technologie of televisie hangt.

Maar zijn het ook goed geschreven verhalen? Wel, daar wringt het schoentje. De plotlijnen van alle kortverhalen zijn vrijwel identitiek waardoor je vrij snel kan voorspellen hoe het allemaal zal eindigen. Een kortverhaal laat ook niet zo heel erg veel ruimte om de personages of interpersoonlijke relaties uit te diepen. Daardoor lijken het soms eerder karikaturen uit een cartoon te zijn dan mensen gedreven door complexe motieven, diepe gevoelens of tegenstrijdige intenties. Asimov’s schrijfstijl gaat gelukkig niet vervelen: ze is vlot, toegankelijk en zonder al te veel franje. Alles bij elkaar genomen zijn dit verhalen die zonder al te veel pretentie leesplezier willen brengen.

De grote kracht van Foundation zit dan ook niet in de verhalen zelf, maar in de world building. Asimov construeert op een methodische manier met een paar eenvoudige concepten en haken een gigantisch universum. Asimov biedt, vrij letterlijk, een fundering aan en met een aantal basisspelregels en enkele suggesties. De lezer wordt automatisch aangesproken om de rest er zelf bij te fantaseren. Dat is dan ook de reden waarom ik ook de rest van de boeken wil lezen: om er achter te komen hoe het de Foundation zal vergaan.

Als je echter op zoek bent naar een science fiction space opera met veel meer diepgang, dan denk ik dat je veel meer zal halen uit de Imperial Radch reeks van Ann Leckie.

Categorieën
Lezen

Ik las Neil Gaiman’s Norse Mythology

Thor, Odin, Loki! Yggdrasil! Freya en Sif! Baldur en Heimdall! De Aesir en de Vanir! Als classicus ben ik vertrouwd met het klassieke pantheon. Met het Noorse? Not so much. Nochtans is die Noorse mythologie bijzonder rijk en niet minder fascinerend.

Neil Gaiman goot de verhalen enkele jaren geleden in een eigen versie en plakte er de titel Norse Mythology op. 300 bladzijden lang is Gaiman je gids doorheen verhalen waarvan we de oorsprong in de tijd is verloren gegaan. Als geboren verteller is Gaiman de geknipte persoon om met dit materiaal aan de slag te gaan. Je merkt dat hij zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke inhoud probeert te blijven zonder dat zijn adaptie een starre, droge koek wordt. Gaiman’s stijl brengt de goden helemaal tot leven.

Hoewel de verhalen op zichzelf staan, loont het om het boek in een keer te lezen om de rode draad door heen de familiale vetes en bondgenootschappen te kunnen volgen. Het loont ook de moeite om even na te denken over de verhalen. In tegenstelling tot de klassieken heeft de Noorse cultuur nooit echt onze Gallo-Romaanse roots kruis bestuifd.

Zo verhaalt Gaiman hoe Thor het land van de Reuzen bezocht, daar allerlei krachtmetingen aangaat… en ze allemaal verliest. Zo vecht en verliest hij tegen een oude vrouw, Eli. Of hij faalt in het leegdrinken van een gigantische hoorn. Hij slaagt er zelfs helemaal niet in om een kat op te tillen. Natuurlijk, de kat en de oude vrouw en de hoorn zijn metaforen die in het verhaal worden toegelicht.

Zo bevat de Noorse Mythologie een eigen kijk op een mensenleven en de wereld rondom ons, vervat met evenveel nuance en fijngevoeligheid als in die andere, veel beter gekende verhalencycli. En Neil Gaiman? Die brengt het geheel samen in een magistraal tableau vivant.

Categorieën
Lezen

Vakantietijd dat is leestijd

Ik heb vakantie. Zo ergens tot vlak voor het einde van de maand. De zomervakantie, dat is de tijd waar ik in de boeken duik. In deze tijden is lezen meer dan ooit een waardevolle bezigheid. Doorheen het jaar houd ik een lijstje van boeken die ik wil lezen bij op Goodreads. Via mijn Kindle duw ik mezelf dan met de spreekwoordelijke druk op de knop in een nieuwe wereld.

Dit is wat er, onder andere, op mijn lijstje staat, in geen bijzondere volgorde:

  • Orson Scott Card’s Ender’s Game
  • Stephen Chbosky’s The Perks of being a Wallflower
  • Chuck Palahniuk’s Fight Club
  • Neil Gaiman’s The Ocean At The End of the Lane
  • Stephen Fry’s Mythos: The Greek Myths retold
  • Neil Gaiman’s Norse Mythology
  • Isaac Asimov’s Foundation
  • Thomas Mann’s The Magic Fountain
  • Madeleine Miller’s Circe
  • Ann Lowenhaupt Tsing’s The Mushroom at the End of the World
  • Siobhan Robert’s Genius At Play. the Curious Mind of John Horton Conway
  • Hans Rosling’s Factfulness

Ik ben momenteel bezig in Kurt Vonnegut’s Slaughterhouse Five. Een stuk Americana dat wel binnen komt. Over de verwoesting van Dresden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik schrijf er later iets meer over. Neil Gaiman’s Norse Mythology spreekt mij het meest aan om daarna te lezen. Het heeft er mee te maken dat ik al enkele weken naar Vikings kijk op Netflix.

Al die brainfood zet mij aan het denken. In een sterk veranderende wereld helpt het om te relativeren, te reflecteren en te prioritizeren.

Categorieën
Lezen

Ik las Philip Pullman’s His Dark Materials

Ergens in januari ben ik in His Dark Materials van Philip Pullman beginnen lezen. Ergens in mei had ik de drie boeken uitgelezen. Dit mengeling van sci-fi, steampunk, fantasy in een episch verhaal dat opgebouwd is als een Hero’s Journey. Een hele mond vol.

Alles begint met de net te nieuwsgierige en eigenwijze Lyra Belacqua. Ze verblijft op Jordan College in Oxford in een alternatieve realiteit. Per ongeluk verzeild ze in een bezemkast en volgt ze een presentatie van haar nonkel avonturier voor de verzamelde academici. De grote vraag: What is Dust? Daar draaien de volgende 1200 bladzijden rond. Alles daarna is een gigantische oefening in het opbouwen van volledige werelden, epische gevechten en verhaallijnen van verschillende karakters die door en naast elkaar heen lopen.

Philip Pullman haalde zijn inspirate uit John Milton’s Paradise Lost en C.S. Lewis The Lion, The Witch and the Wardrobe. Eigenlijk is His Dark Materials een combinatie van beide verhalen en is het een kritiek op de christelijke elementen die in C.S Lewis’ werk zitten. Pullman draaide daarvoor het verhaal van Paradise Lost volledig om. Jezus en God zijn daarbij de antagonisten, terwijl Satan en zijn dochter Zonde de helden zijn. Pullman schrijft zo op een vernuftige manier een maatschappelijke kritiek waarbij kennis en ervaring tegenover bijgeloof wordt geplaatst.

Los van de vele lagen, is het vooral gewoon een fijne trilogie om te lezen. Ik las het origineel in het Engels. Ik kan alleen maar zeggen dat het een plezier is om het virtuoze taalspel waarmee Pullman de personages en de scenes tot leven brengt, of de wijze waarop hij grote en kleine emoties over brengt, te lezen. Geen stijve taal, geen traag op gang komend verhaal. Je wordt van bij het begin het verhaal gezogen.

Voor velen zijn Lord of the Rings of A Song of Ice and Fire de grote ontdekkingen als het op fictie aan komt. Well, His Dark Materials mag gerust in dat rijtje worden geplaatst. Het is niet alleen een reeks vol verborgen maatschappijkritiek, het is ook nog eens een coming of age verhaal waarin je Lyra mee ziet opgroeien van een onbezonnen en ontwetend kind tot een jong meisje dat haar onschuld en magisch denken gaandeweg inruilt voor een realistische, bitterzoete blik op de wereld en het leven. Alleen al daarvoor vind ik het een aanrader om het eens aan een tiener cadeau te geven.

O ja, het spreekt dat er ondertussen al een aantal verfilmingen zijn. Vergeet The Golden Compass met Nicole Kidman. De BBC doet sinds deze winter een moderne, eigentijdse variant – His Dark Materials – die de moeite waard is.

Categorieën
Lezen

A Mind at Play: How Claude Shannon Invented the Information Age

Deze zomer las ik A Mind at Play: How Claude Shannon Invented the Information Age van Jimmy Soni. Dit is een biografie van Claude Shannon. Die naam zal bij de meeste mensen niet meteen een belletje doen rinkelen, maar Shannon staat wel mee aan de wieg van de Information Age. Meer zelfs, zonder Shannon zou de wereld zoals we ze vandaag kennen gewoon niet bestaan. Wie is die Shannon dan?

A mind at play
A Mind at Play

Claude Shannon werd geboren aan het begin van de 20ste eeuw. Hij behaalde werd wiskundige en kwam als jonge twintiger aan de University of Michigan in contact met de Booleanse logica. Dat is een vorm van algebra uitgevonden door George Boole en die draait om de concept AND, OR en NOT. Je weet wel, “waar” AND “onwaar” is gelijk aan “onwaar”. Shannon was niet zomaar een wiskundige, hij behaalde uiteindelijk een diploma als mechanisch ingenieur. Hij bleek ook een wonderkind te zijn met een brein waar eindeloze ideeën uit ontsproten. Het geluk wilde dat hij terecht kwam in de Bell Labs. Dat was toen het mekka waar nagedacht werd over telefonische netwerken en communicatie. Claude Shannon was de eerste die Booleanse logica toepaste om informatie op een nieuwe manier – een digitale wijze – te delen tussen machines. Hij herordende de mechanische schakelaars in de schakelborden en toonde zo aan dat informatie ook als bits en bytes kan worden gerepresenteerd. In één klap doorbrak hij daarmee de grenzen waar analoge technologieën – de klassieke telefoonlijn, televisie,… – tegen aan liepen. En daarmee zette hij de deur wagenwijd op naar de Information Age.

Zijn paper A Mathematical Theory Of Communication is het absolute fundament waar concepten zoals “zender” en “ontvanger” voor het eerst werden gedefinieerd. Hij formaliseerde voor het eerst de notie “informatie” in deze paper. Gepubliceerd in 1948 blijft het vandaag een van de meest geciteerde papers.

The Shannon Limit - Bell Labs - Future Impossible

Claude Shannon is meer dan een theorie. Hij was blijkbaar ook een onverbeterlijke uitvinder die de meest gekke ideeën kon omzetten in mechanische oplossingen. Zoals de robotmuis Theseus die via een soort primitieve artificiële intelligentie de exit in een doolhof wist te vinden. Of een verborgen toestel dat hem toeliet om in casino’s vals te spelen (dat laatste liep bijna slecht af). Shannon doet mij in die context nog het meeste denken aan Adam Savage van Mythbusters die een gelijkaardig atelier heeft. Claude Shannon zou vandaag nog het best omschreven worden als de peetvader van de Maker Culture.

Deze biografie is een zeer leesbaar boek. Onvermijdelijk wordt er uit gewijd over de Theory of Communication, maar de auteur slaagt er in om de, eerlijk gezegd, gortdroge materie toch op een bevattelijke en leesbare manier te brengen. Bovendien weet Soni het belang van Shannon voor de digitale wereld vandaag op een heldere wijze neer te zetten. Ook heeft Soni oog voor de mens Claude Shannon. Hij was een introvert die zich goed voelde tussen zijn uitvindingen en ideeën. Niettemin zonder hij zich niet af van de mensheid, integendeel. Hij ontving talrijke ere-doctoraten en prijzen voor zijn werk. Zijn latere leven legde hij zich toe op lesgeven aan MIT. Soni vervalt dan weer niet in lange uitwijdingen, interpretaties of details zoals uitgebreide correspondenties en interacties tussen Shannon en zijn tijdgenoten. Daardoor blijft het tempo in het boek zonder dat het een droge pil wordt.

Ben je geïnteresseerd in de geschiedenis van de hedendaagse digitale cultuur, dan is dit een boek een dikke aanrader.

Categorieën
Lezen

Dispatches

We wonen nu bijna een maand in ons nieuwe huis. Bevalt het? Zeker dat het bevalt!

Plus:

  • We wonen dicht bij het station. Met de fiets sta ik er op geen tijd, maar met dit weer is het zalig wandelen onder de bomen op de Brugse Vesten. En de bus stopt hier praktisch aan de voordeur.
  • Ons terras. Een kleine maar zeer fijne en gezellige koer. En nu we niet meer van door een waskot moeten om buiten te kunnen, nodigt het gewoon uit om elke avond buiten te eten.
  • Een vaatwasmachine en warm water in de keuken. Pakweg de laatste 10 plus jaar deed ik de vaat met de hand. Elke avond. Je mag stellen dat ik goed gerodeerd ben. Maar in het laatste jaar in Oostkamp was de keuken zo uitgeleefd dat ook het warme water haperde. Je vaat ’s avonds op tien minuten in een machine dumpen en warm water van de boiler onder de pompsteen? Da’s een luxe waar ik elke dag gelukkig van kan worden.
  • Een gezellige living met veel daglicht. Want dat was er totaal niet in op ons vorige adres.
  • Een garage in huis. Want de straat oversteken naar de garagebox in putje winter om kerstspullen te halen, of om je fiets te nemen, da’s allesbehalve praktisch.
  • Deftig sanitair met twee wc’s. Want eerlijk? Een toilet was eigenlijk te weinig.

Delta:

  • De oven. Ai, ai, ai. Jammer genoeg heeft de thermostaat het begeven. En herstellen is niet meteen een optie. We kunnen ze wel gebruiken, maar op termijn vraagt dat een oplossing.
  • De silicone dichtingen in de badkamer. Miserie! We hebben een aantal keer serieuze lekkage gehad in de garage. Gelukkig zit er daar geen plafond waardoor we direct merkten dat we een probleem hadden. Bovendien kussen we onze pollekes dat het niet lekte in onze vers geschilderde gang en living. We hebben wat gebibberd, maar het lijkt er op dat het aan slecht afgekitte badranden lag. Vanmorgen hebben we nog een laatste ingreep gedaan. Hopelijk lost dat ons probleem op.
  • Tik… tik… tik… Enkele weken lang tikte het in de afvoer van de dampkap. Om gek van te worden. Vorig weekend besloot ik op het dak te klimmen. Bleek dat een loshangende klep in de plastic afdichting aan de gevel de dader was.
  • De kookplaat. Kan de kat die niet aanzetten wanneer ze er over loopt? We waren onszelf de vraag nog maar luidop aan het stellen toen die met een luide “PIEP” werd beantwoord. Ja, dus. We moeten dus een afdekplaat aanschaffen.

Missen we Oostkamp? Eigenlijk feitelijk niet, neen. Het is natuurlijk wat wennen, zo’n nieuw huis. We zijn bovenal zeer content dat we hier mogen wonen.

Categorieën
Lezen

Ik las Philip Dick’s Do Androids Dream of Electric Sheep

Vorig jaar bracht Denis Villeneuve met Blade Runner 2049 een magistrale ode aan de originele Blade Runner. Die laatste film waar androids de hoofdrol in spelen, is er eentje die hoog in mijn lijstje ‘absolute topfilms’ staat. Wat Ridley Scott in 1982 deed met de technologie van toen, was ronduit een huzarenstukje.

Het script van de originele Blade Runner is gebaseerd op het boek Do Androids Dream of Electric Sleep van Philip K. Dick. En dat boek las ik door de Kerstvakantie en het einde van het jaar. Net zoals in de film is het hoofdpersonage in het boek Rick Deckard, een bounty hunter die op androids jaagt. En net zoals in de film blijken er in het boek 5 gevaarlijke Nexus 6 androids te zijn ontsnapt uit de Mars kolonies terug naar de Aarde. Aan Deckard om ze op te sporen en te elimineren.

Het boek verschilt van de film in dat er nog een aantal extra nevenpersonages zijn die een extra dimensie aan het verhaal geven. De voornaamste is John Isidore. Hij is een chickenhead, iemand die door de radioactieve stof van de post-apocalyptische wereld beroofd is van zijn mentale capaciteiten. Een ‘simpele’ zeg maar. Zijn bestaan is bijzonder precair. En hard. En eenzaam. Tot de dodelijke androids aan zijn deur komen… en hij besluit om ze te helpen uit empathie.

Wilbur Mercer is een televisie profeet wiens cultus gegroeid is tot wereldreligie. Mercerism is volledig gebaseerd op empathisch lijden, en gemeenschap. Via een “empathy box” kunnen gelovigen verbinding zoeken met elkaar om in een soort virtuele omgeving het martelaar lijden van Mercer te kunnen voelen. Deckard’s echtgenote Iran is volledig

En dan is er natuurlijk Rachael Rosen. Jawel, die Rachael. Zij wordt verliefd op Deckard en helpt hem in zijn zoektocht naar de voortvluchtige androids. Alleen is ook zij een Nexus 6 model, en dwingt haar programmatie haar ook om de vluchtelingen net te helpen.

Tenslotte is er Iran, de die depressieve echtgenote van Deckard die in een quasi nihilistische staat door het leven gaat. Alleen het bezitten van een echt dier kan haar schijnbaar hoop bieden tegen de existentiële wanhoop van het echtpaar; nadat hun elektrische robot schaap in het begin van het verhaal de geest geeft.

De rode draad door het hele boek is empathie. Want dat is wat het onderscheid maakt tussen robots en levende wezen. En die rode draad komt in tal van lagen terug doorheen het verhaal. Als bounty hunter moet Deckard zijn empathie opbergen om zijn job correct te kunnen doen… en dat doet hem juist  twijfelen of hij al of niet zelf een android is. En zo roept het boek nog een pak andere vragen op.

Deze novelle is verrassend kort. Hooguit 210 pagina’s. Maar Philip K. Dick weet er wel een hele uitgebreide post-apocalyptische wereld in te schetsen. Een heel leuk boek om te lezen als je van Sci Fi houdt. En ook al werd het gepubliceerd in 1968, zeker niet gedateerd.

Categorieën
Lezen

Het jaarlijkse boekenlijstje

2017 komt ten einde. Tijd voor een boekenlijstje. Wat heb ik dit jaar allemaal gelezen? Wat vond ik goed en wat vond ik minder goed?

  • Einstein: His Life and Universe – Walter Isaacson. Een intrigerend boek over het leven van Einstein. Isaacson deed eerder de biografie van Steve Jobs, dus ik was nieuwsgierig. Ik ga eerlijk zijn, 700+ bladzijden over Einstein, da’s heel wat. Vooral wanneer Isaacson in het begin de befaamde theorieën probeert te vatten is het stevig doorbijten. Ik ben uiteindelijk ergens rond bladzijde 500 gestrand.
  • A Little Life – Hanya Yanagihara. Ik vind dit boek de kritieken meer dan waard. Ik ben de Engelse versie begonnen. Ik vond de wijze waarop Yanagihara met de taal speelt verfrissend. Alleen, ben ik ook hier halverwege het boek gestrand.
  • The Subtle Art of Not Giving a F*ck – Mark Manson. Een boek naar het gelijknamige artikel. Zeker een aanrader omdat het aantal waarheden over het leven gevat weet neer te zetten. Verwacht je nu ook niet aan totaal nieuwe inzichten.
  • All the light we cannot see – Anthony Doerr. Ik was er begin dit jaar lovend over. En dat ben ik nog steeds.
  • World War Z – Max Brooks. Ideale vakantielectuur. Zombies die wereld overnemen. Dit is geschreven als een collectie van ooggetuigenverslagen. Gaandeweg lees je hoe de wereld meer en meer vervalt en de mensheid zich aanpast. Leuk om te lezen, maar verwacht geen hoogstaande lectuur.
  • Dark Tower I: The Gunslinger – Stephen King. De eerste keer dat ik iets las van Stephen King. Ik moet zeggen dat ik aangenaam verrast ben. Ik wist dat Kings werk een essentieel stuk Americana was. Ik had niet verwacht dat ik de Dark Tower een pageturner zou vinden.

Zes boeken. Niet slecht. Ik heb mijn tanden wat stuk gebroken op de twee turven van 700 bladzijden. Ik had die wat eerder aan de kant moeten leggen, denk ik. Anderzijds, ik las ook niet consistent dagelijks. Soms gingen er weken voorbij dat mijn Kindle ongeopend op mijn nachtkastje bleef liggen.

Momenteel ben ik volop bezig in Do Androids Dream Of Electric Sheep door Philip K. Dick. Ik heb de eerste Blade Runner een flink aantal keren gezien. Geweldige film. En ja, ik heb ook met veel plezier Blade Runner 2049 in de cinema gezien. Ik zit ergens halverwege ongeveer. Iets om begin volgend jaar mee te starten.

Categorieën
Lezen

Bill Gates’ boeken voor de zomer van 2017

Elk jaar beveelt Bill Gates 5 boeken aan voor de zomer. Ook dit jaar doet hij dat weer.

Summer Reading 2017 by Bill Gates

Ik bevind me momenteel ergens in Hanya Yanagihara’s A Little Life. Daarnaast staan Paulo Coelho’s The Alchemist en The Pilgrimage op mijn Kindle te wachten.

Categorieën
Lezen

All the light we cannot see

Ik zet 2017 literair in met All the Light We Cannot See van Anthony Doerr. Deze roman won in 2015 nog een Pulitzer dus dat scherpt de verwachtingen enigszins aan. Dit project is het resultaat van een jarenlange weg die Doerr heeft afgelegd. En dat valt goed op.

Het hele verhaal draait rond twee personages. Marie-Laure Leblanc is een jonge blinde Parisienne. Haar vader, Daniel, is de slotenmaker van het Museum voor Natuurgeschiedenis. Werner Pfennig is een wees die samen met zijn zus, Jutta, opgroeit in Zollverein, een mijnstad vlakbij Essen. De Tweede Wereldoorlog dient zich net aan. Beide kinderen groeien op in een wereld die gaandeweg uit elkaar valt. Marie-Laure duikt met haar vader onder in Saint-Malo nadat die laatste van zijn overste de taak krijgt om een zeer waardevolle diamant te verbergen voor de bezetter. Werner wordt ingelijfd en geïndoctrineerd in de Duitse oorlogsmachine en beland eveneens in Saint-Malo. Daarnaast zijn er nog een stuk of wat secundaire verhaallijnen. De rode draad doorheen het verhaal is de radio die in de jaren ’40 stormenderhand de wereld had veroverd.

Net zoals in GRRM’s Game of Thrones vertelt Doerr het verhaal afwisselend vanuit het standpunt van de personages. Dat zorgt voor een gedegen page turner. Alleen springt het verhaal tussen drie grote tijdsvakken in flashbacks en flash forwards. Dat maakt het bij wijlen wat lastig om te volgen.

Doerr slaagt er in om de personages te laten groeien doorheen het boek. Waar het aan het begin van de Oorlog nog om kinderen gaat, zijn het bij de bevrijding twee jongeren die te snel volwassen moesten worden. Zowel Werner als Marie-Laure verliezen gaandeweg hun houvast en onschuld door allerlei omstandigheden: naaste familie, vrienden, mede-studenten, leraars, officieren,… Doerr beschrijft vanuit een zekere onbevangenheid en het onvermogen om de ernst van het gebeuren volledig te vatten. De droomwereld, met radio’s, modelhuisjes en een karbonkel van een diamant, waarin ze als kinderen leven wordt gaandeweg doorprikt door de realiteit.

Eerste punt van kritiek is dat Doerr zich bedient van nogal gezwollen taal. De tekst bulkt van de metaforen, polysyndetons… en andere stilistische hoogstandjes. Doerr probeert zo Saint-Malo en Zollverrein, Oekraïene, Schulpforta, Berlijn,… te schetsen in een modernistische Ligne Claire stijl maar slaagt daar niet altijd even goed in. Soms komt de tekst nogal hoogdravend en zelfs regelrecht cliché over. Het vraagt bovendien wat inspanning om in een aangenaam leesritme te komen. Tweede punt van kritiek is dat Doerr de gruweldaden van het Nazisme daardoor in een eerder steriele, dichterlijke vorm giet. In de verhaallijn van Werner flirt hij daardoor af en toe met de grens van het stereotype. Veel schrijvers bezondigen zich juist aan het tegenovergestelde: te viscerale beschrijvingen van menselijk lijden die het grote verhaal overschaduwen. Het is en blijft een moeilijke lijn om te bewandelen.

All the Light We Cannot See liet mij uiteindelijk wat op mijn honger zitten. Doerr lijkt met de primaire verhaallijn doorheen het boek één richting uit te gaan, maar slaat naar het einde toe toch een andere weg in. Door die bocht lijken de laatste vijftig bladzijden er eerder bij gebreid om toch nog ergens te kunnen landen. Ook niet alle secundaire verhaallijnen worden helemaal afgewerkt. Doerr laat de ruimte aan de lezer om zelf te interpreteren hoe Marie-Laure, Werner en de andere personages uiteindelijk uit de Oorlog komen.

Doerr verdient zijn Pulitzer duidelijk wel. All the Light We Cannot See zuigt je zo mee in een verhaal met veel lagen. Hij slaagt er wonderwel in om de Tweede Wereldoorlog vanuit twee perspectieven te tonen. Desondanks vervalt hij net iets te hard in clichés om helemaal in zijn opzet te slagen. Neemt niet weg dat ik dit boek toch een aanrader vind. Tenslotte leent deze roman zich te over tot verfilming, dus is het nu gewoon wachten op Hollywood.